Sidder en beef … -40 komt er aan!

Eerst en vooral: de tomate-crevette viel werkelijk in de smaak en het Poolse kerstfeest was heel gezellig. Lekker eten ook. De Poolse consul hier is nu helaas wel in de veronderstelling dat wij Belgen altijd kalkoen én frieten én tomate-crevette eten op kerstavond. Laten we hem in de illusie houden!

Vandaag was er ook de niewjaars-/kerstnamiddag op de unief. Hierbij werd “het is een nacht” gezongen als een Vlaams lied over oudejaarsavond. ‘t Is maar dat u het weet.

Verder hebben we hier al zeer veel goede punten gehaald (vier en vijven!) (op vijf uiteraard)(voor alle duidelijkheid).

Uitgebreidere verslagen over al deze belevenissen volgen hopelijk na het weekend. Hopelijk, want de fluppekens hier (dat zijn ik, Heleen, Hanne, Nick en Owen) hebben het in hun hoofd gehaald om dit weekend door te brengen in Arshan (u weet wel, die wonderschone plek waar ik met Jakob ook al eens een weekend naartoe ben geweest). Nu is dat op zich geen probleem, ware het niet dat het zaterdag (en dat is dus morgen al!) tussen de -30 en -40 graden gaat worden. Overdag. In Irkutsk. Nu moet u weten dat het in Arshan meestal sowieso al kouder is dan in Irkutsk (het ligt in de bergen en in september lag er al sneeuw op de toppen. In september!). Oh en nog iets. Het toilet daar is een gat in de grond. In een hokje.  BUITEN!

Bij deze, het was fijn u allen gekend te hebben, ik hoop dat ik dit weekend overleef en de twaalf watervallen bevroren kan zien (het zou zo erg zijn als we daar de hele tijd binnen moeten zitten) …

Ik zal blij zijn als ik maandag mijn neus nog heb. Vadertje vorst, wees barmhartig!

Dienstmededeling

Dames en heren, jongens en meiden,

Deze week wordt u extra verwend. Ik heb namelijk goed nieuws voor u! Er is mij de eer te beurt gevallen om gastblogger van de week te zijn voor de Weekend Knack. Bijgevolg krijgt u én op woensdag (en dat is morgen al!) én op donderdag én op vrijdag en potverdorie zelfs op maandag en op dinsdag ook een lap tekst van mij voorgeschoteld.

Helaas zal die blog dan niet hier te vinden zijn, maar gelukkig wel op: http://www.knack.be/weekend/nl/home/blog/guestblog/86-13/guestblog.html. Allen daar heen zou ik zo zeggen!

Spread the word!

Heel veel groeten van Irkutsk, momenteel -28 en er worden hier ijsbruggen, ijsglijbanen en ijskastelen gebouwd à volonté (komt dat zien, komt dat zien)!

UPDATE: Omdat de blogsite van Weekend Knack niet meer online staat, heb ik de gastblogs hier online gezet. Je vindt ze bovenaan deze pagina, onder het knopje ‘gastblogs weekend knack’, of gewoon door op deze link te klikken: http://marielaureinrusland.wordpress.com/gastblogs-voor-weekend-knack/

The only way is … down!

En dan heb ik het over de temperaturen!

Deze week ging het namelijk van …

-18, onomstotelijk!

-18, onomstotelijk!

 

 

naar …

-20, ook dat bewijs is er!

-20, ook dat bewijs is er!

 

 

Naar de koudste temperatuur tot nu toe …

-28, vandaag, deze morgen, 10 uur!

-28, vandaag, deze morgen, 10 uur!

 

Donderdag vier december 2008, een dag om niet meer te vergeten. Hoe veel lager zullen de temperaturen zakken? Hoeveel meter sneeuw zal er nog vallen? Zullen er nog valpartijen zijn en zal ieders beendergestel heel blijven? Zal ik terugkeren zonder neus of met permanent bevroren vingers? Zullen twee lagen thermisch ondergoed blijven volstaan? Komt er een dag waarop we de -35 graden halen en we bijgevolg zelfs niet naar de universiteit moeten?

 

Dit en veel meer zullen we weldra de weten komen, want

 

DE WINTER IS BEGONNEN!

 

Sidder en beef, want zelfs de Russen beginnen tekenen van kouwelijkheid te vertonen en dàt wil wat zeggen!

 

 

 

(“muhahahahaa”, lachte Koning Winter in zijn vuistje en hij gooide er nog een schepje wind bovenop…)

Over de kapper, de nachtclub en een zak patatten.

Eerst en vooral: de kalkoen van op Thanksgiving was heerlijk! Iedereen (en dat was veel volk) heeft zich er aan te goed kunnen doen en dan nog was er over. Vervolgens werd er nog wat gepraat, de keuken werd weer omgetoverd tot disco (met dank aan de flikkerende hoofdlamp van Nick) en uiteindelijk was het weeral tijd om te gaan slapen. Dit laatste gegeven leverde wel enkele problemen op. Er was namelijk veel meer volk dat wilde blijven dan dat er matrassen waren. Dus werd dat weer slepen met matrassen, van de derde verdieping naar de vijfde nu maar liefst en uiteindelijk werden er dan maar matrassen gedeeld en om 8u ’s morgens waren alle gasten de deur weer uit (de ijzeren wil van de dezjurnaja/conciërge, daar begint ge niks tegen!).

Nu is het hier woensdag, rond de middag en momenteel is het -20, dat belooft. Gisteren had ik al het gevoel dat mijn neus aan het bevriezen was en toen was het maar -16. Bovendien blies er een ijzige wind, dus eigenlijk was het echt niet te doen. Ik denk dat ik vandaag dan maar voor de bankovervallers-look ga: enkel de ogen onbedekt!

De kapper.

Enkele weken terug besloten Hanne en ik ons aan een experiment, getiteld ‘naar de Russische kapper’, te wagen. Het was niet zozeer onze drang naar experimenteren die de bovenhand haalde, maar eerder pure noodzaak; onze wilde lokken moesten gekortwiekt worden.

Na eerst hier en daar wat geïnformeerd te hebben bij Russinnen met aanvaardbare kapsels (u wil niet weten met wat ze hier soms rondlopen), kwamen we tot het besluit dat er zich ‘ergens’ aan de cinema vlakbij ons kot een degelijke kapper zou bevinden. Op een mooie namiddag gingen we op zoek. Het kostte ons inderdaad wat werk, maar uiteindelijk kwamen we terecht in kapsalon “Da Vinci”. Als dat geen fenomenaal resultaat zou opleveren, met zo’n naam!

Kapsalon “Da Vinci” was echter niet enkel een kapsalon, nee er bevond zich daar tevens een zonnebank, een nagelstudio en ge kon er u zelfs professioneel laten opmaken. Er was echter maar één kapster, dus beet Hanne de spits af. Gewapend met een foto uit de Belgische Flair, vertelde ze haar wensen aan de kapster, die er meteen in vloog.

In het kapsalon heerste een zeer gezellige sfeer, zo een beetje van, kom we gaan ons allen mooi maken en verkleden! De nagelspecialiste en haar cliënte moest elk om de beurt hun werk (voor de één nagels vijlen, voor de andere lachen en mooi zijn) staken om hun telefoontjes te kunnen beantwoorden. Vervolgens liet de cliënte de specialiste alle ringtones en liedjes die ze op haar gsm had staan horen. Toch wel lichtelijk enerverend eigenlijk, vooral omdat ze geen enkel liedje helemaal tot het einde liet spelen. Vervolgens begon een van de dames daar (vermoedelijk iemand die daar werkte, al was dat niet zeker), haar wenkbrauwen te epileren voor de spiegel, waarna ze besloot maar eens onder de zonnebank te gaan liggen. Terwijl ik werd ‘gekapt’, kwamen er dan ook nog eens twee vriendinnen binnen, die in afwachting van het bijwerken van hun nagels door de specialiste (die nog steeds bezig was met cliënte nummer één, tja, die telefoontjes vragen ook tijd natuurlijk) dan maar elkaars nagels begonnen te vijlen. Het valt moeilijk uit te leggen, maar het was heel gezellig daar. Misschien zaten de koude buiten en de warmte binnen er ook voor iets tussen…

Ondanks het feit dat onze haren niet werden gewassen voor ze geknipt werden (ze worden gewoon natgemaakt door er met een soort plantenspuit water op te spuiten), mocht het resultaat er zijn. We waren allebei bang om buiten te komen met een Russische froefroe, u weet wel, heel recht en kort en dik en lelijk, maar we waren allebei meer dan tevreden. Kapsalon “Da Vinci”, Oelitsa Bajkalskaja, Irkutsk, het is een aanrader!

De nachtclub.

Toeval of niet, twee weken nadat Hanne en ik naar de kapper zijn geweest, was er het plan om eens naar een Russische nachtclub te gaan. Het was me de belevenis wel zeg! Samen met een Rus (Sergei) en enkele Russinnen (Tanja, Alena, Dasha) gingen we (Hanne, Nele, Heleen, ik, Nick, Mieke en Kristien) naar nachtclub Panorama. Zij kwamen ons ophalen op de dorm en na wat thee en een stukje chocoladegebak (doen we in België toch ook altijd voor we weggaan, niet waar?) gingen we op pad.

Het plan was (voelt u hem al aankomen?) om met de tram te gaan. Helaas was het al 22u en kwamen er enkel nog trams voorbij die richting stelplaats reden en dus slapedokes gingen doen. Bijgevolg zat er niks anders op dan te voet te gaan. Het was min acht en de voetpaden lagen er spekglad bij, maar wij moesten en zouden in Panorama geraken! We vormden een veiligheidsketting door onze armen in elkaar te haken en zo gingen we door de Russische nacht. Zo’n ketting heeft voordelen en nadelen. Het voordeel is dat we elkaar inderdaad enkele keren gered hebben van een beschamende valpartij. Het nadeel is dat voetpaden wel eens van breedte durven te veranderen en het dan soms wel heel moeilijk wordt om met vier op een rij te lopen. Oja, bij deze ook meteen een pleidooi voor de schoen met dikke zool in koude gebieden! Ik had namelijk mijn all-stars aangedaan, kwestie van toch niet te hard uit de toon te vallen door met lompe bergbottines aan in een nachtclub te verschijnen (en dan nog een Russische), maar ho, de koude trekt echt wel meteen door de bodem van die schoenen heen hoor, terwijl ik met de andere schoenen nog geen moment koude voeten heb gehad. Slechts één leuze is hier dus op zijn plaats: “Leve de bergschoen!”

Na een flinke wandeling kwamen we dan toch aan bij Panorama en na het passeren van achtereenvolgens de kassa, de vestiaire en de metaaldetectors, waren we eindelijk echt binnen. De club was vrij groot en heel fijn ingericht, volgens een thema waarbij er saloons en casino’s aan te pas komen (vermoedelijk dus “Het Wilde Westen”) en waarbij er mensen rondliepen in lange kleedjes en bretellen en cowboyhoeden (niet noodzakelijk alle drie gecombineerd). Er waren twee verschillende zalen en heel veel zeteltjes en stoeltjes en tafeltjes en dergelijke.

De eerste stop in de club, was het toilet, dat verbazend genoeg voor zo’n grote, luxueus ingerichte club, naar aloude Russische gewoonte gewoon een gat in de grond was! Na de sanitaire pauze gingen we onze bankkaart afhalen, een geweldig systeem. Je zet je geld dat je wil spenderen gewoon op een soort bankkaart en per keer dat je iets koopt, gaat daar geld van af. Op het einde van de avond kun je de waarborg voor de kaart en je resterende geld gaan afhalen. Geniaal!

Hierna hebben we ons in wat zeteltjes geïnstalleerd, want we waren er niet meteen happig op om ons onder het dansende volkje te mengen. Dat is enigszins logisch als u zou zien hoe die Russen en Russinnen dansen. De gemiddelde R&B-videoclip kan er nog wat van leren! Ja ja, ze kunnen er wat van; armen en benen worden in de strijd gegooid, er wordt geshaket met heupen en billen dat het geen naam heeft, er wordt aan hekken gehangen, tegen palen aangewreven, kortom, een mens kijkt zijn ogen uit in zo’n club. En dat niet alleen omwille van de dansstijl, nee nee, ook de kledingstijl is vaak erg excentriek. Sommigen zijn heel chique gekleed, anderen superextravagant en soms waanden we ons zowaar op het Eurovisiesongfestival. En dat laatste ook weer niet alleen door de kleren, maar ook door de muziek. De muziek was gelukkig heel afwisselend en er zaten ook Westerse dingen bij, maar wat ge daar soms de horen kreeg van beats en teksten! Goed, en daar stonden we dan, in onze jeansbroeken, met onze gewone T-shirts en topjes, op onze platte schoenen… Het was alweer duidelijk dat wij buitenlanders waren vermoed ik.

Voor de dansvloer in de grootste zaal was er een podium, waarop zo nu en dan dansdemonstraties werden gegeven. Op een gegeven moment kwam er zelfs een comedy-act à la Comedy Casino, al waren de moppen absoluut niet grappig. Russische humor hé. Aan de andere kant was er een groot balkon dat half over de dansvloer hing, waar er een kooi stond met een paal in het midden. We hadden kunnen weten dat het zou gebeuren, maar groot was onze verbazing toen er op regelmatige tijdstippen een halfnaakte dame verscheen, die tijdens het dansen steeds maar naakter werd en steeds meer stukjes stof verloor. Het schijnt volkomen normaal te zijn in de Russische discotheken en er was niemand die er echt van op keek (buiten wij dan). Ja, het contrast met België was weer groot.

Wij amuseerden ons ook wel, door ons volledig te laten gaan en de Russische moves te imiteren en door onze ogen de kost te geven uiteraard. In de andere zaal stond er een paal die in gebruik kon worden genomen door bezoekers (een populaire activiteit) en we hebben even getwijfeld om er ook eens aan te gaan zwieren, maar uiteindelijk hadden we het lef niet (alhoewel ik denk dat Kristien zich er wel aan gewaagd heeft). Het was een hele gezellige avond en uiteindelijk zijn we gelukkig met een taxi weer naar huis gekeerd.

Op naar de volgende disco!

Een zak patatten.

Dan rest er mij nog het verhaal van de zak patatten.

Er was eens een meisje dat moest koken op een koude donderdag, samen met een jongen. Dit meisje was Marie-Laure en de jongen heette Nick. Er werd besloten dat het meisje achter patatten en wortelen zou gaan op de centrale markt en de jongen zou achter worst en erwtjes gaan. Dus donderdag na de les ging ik naar de centrale markt. Ik kocht er een wortel of vijf en vier kilo patatten. De man die mij de patatten verkocht deed ze in een zakje en de wortels stak ik in mijn tas. Ik besloot terug naar de dorm te gaan met de tram, omdat ik dan niet helemaal naar de bushalte moest lopen door de kou.

Ik stapte op de tram en kocht een biljet. Een oude dame vroeg me of dit de halte ‘handelscentrum’ was en voor ik besefte sloeg het noodlot toe. Een Rus passeerde mij. Zijn jas hing open en flapperde achter hem aan. De rits. De rits bleef haperen aan mijn zak met vier kilo patatten. De zak scheurde. De patatten rolden over de vloer van de tram. Alle kanten op. Door de nattigheid en de modder van smeltende sneeuw, die de bodem van de tram bedekte. Een deel van de patatten in de zak kon ik nog redden en zette ik op de stoel achter de oudere dame, die mij nog steeds vroeg of ik wist welke halte dit was. Ik zei dat ik het niet wist. De patatten rolden nog steeds rond. Mensen stapten op en één klein zielig meisje probeerde patatten op te rapen, terwijl er nog steeds andere patatten waren die uit de zak, vanop de stoel, de grond op rolden. Er zat niks anders op dan mijn mooie tas, mijn ‘boekentas’ zoals dat dan heet op te offeren en er de vieze, vuile patatten in te steken. De oude dame schoot te hulp, commandeerde mensen dat ze moesten oppassen voor mijn patatten en of ze die eens niet zouden aangeven aan dat arme kind. Er werd geholpen, er werd om patatten heen gelopen en uiteindelijk had ik terug vier kilo patatten in mijn handen, of beter in mijn tas, mijn mooie tas. De schade bleef uiteindelijk gelukkig beperkt omdat ik de echt smerige patatten in de rest van de plastic zak had kunnen wikkelen en zodus werden mijn boeken gespaard. Maar toch, wat een gedoe, wat een schaamte, wat een ellende en amper iemand die hielp. Ik was officieel zielig verklaard en god, wat was ik blij toen ik eindelijk van de tram kon stappen.

Moraal van het verhaal: wanneer u met vier kilo patatten huiswaarts gaat, heb dan altijd een extra zak paraat!

Thanksgiving по-русски (op zijn Russisch!)

Of op zijn Candees. Of Amerikaans. Het is redelijk onduidelijk. Maar gezien de hoeveelheid Russen die hier nu door de gang zwerven en gezien het feit dat de ingrediënten Russisch zijn denk ik dat ‘op zijn Russisch’ hier wel gerechtvaardigd is. Momenteel staat er hier (we gaan live vandaag, inderdaad!) een kalkoentje gedrenkt in champignons, brood, allerlei kruiden, wortels en meer fraais, te braden in de oven. Dat gaat smullen worden. Mag ook wel want dat ding staat er al zo’n drie uur in.

Het probleem is – of beter: was – de kalkoen. Die was hier niet te vinden. Tot in de onderwereld van Irkutsk werd er gezocht. Er werd vanalles gevonden (beenhouwerijen die dus toch lijken te bestaan hier en de grote stock die aan alle winkels levert, louche Afghanen en zo meer), behalve een kalkoen. Maar dan was er de gezegende datum van 27 november, de dag waarop de gezegende woorden ‘we found a turkey‘ in onze oren terecht kwamen. Weliswaar niet één volledige kalkoen. Maar onderdelen. Vraag me niet welke, ik weet alleen dat er een kalkoenborst aan te pas is gekomen en verder nog enkele andere onbenoembare lichaamsdelen, die hopelijk even lekker gaan smaken. Ik laat het u weten.

Wel, wat kan ik nog zeggen. Ik kreeg net een massage van Karen en mensenlief, dat deed deugd! Sebiet nog de kalkoen van Jeremy en mijn dag is compleet. Ik hoop dat u allen ook een leuke avond heeft, ik ga mezelf uit mijn asociale cocon halen en me onder het volk (de Russen en de anderen) en de vodka mengen…

En dan nu Mongolië deel 3: les photos!

Een doodnormale week in Irkutsk

Goh, wat een ontnuchtering om na zo’n weekje vakantie (in Mongolië, of all places!) weer terug naar de universiteit te moeten. Veel was er niet veranderd. De bewaking kijkt nog steeds even vies en ge moet nog altijd niet proberen om in ‘bovenkledij’ de unief binnen te gaan. De spiegelpalen zijn nog steeds even populair en ze zagen nog steeds als ge in de stolovaja zit te leren. We zijn dan maar voor het eerst eens in de leeszaal gaan zitten en inderdaad, het is daar véél beter als in de stolovaja; warm, geen vieze etensgeuren en veel rustiger.

Nu ik er over denk was er toch iets veranderd. De Aziaten die bij ons zitten bij vaderlandse geschiedenis hebben blijkbaar ergens de antwoorden op de vragen vandaan gehaald, want ze antwoorden nu allemaal van de eerste keer juist, werkelijk heel vreemd, maar goed voor ons want we hadden ons huiswerk niet gemaakt. Alleen bij de bijvragen gingen ze nog steeds de mist in. Een voorbeeld? “Wie stond er aan het hoofd in de Oosterse beschaving?” Achtereenvolgens volgden de meeste domme antwoorden. Er was iemand die dacht dat dit wel eens mijnheer Christoffel Columbus geweest kon zijn. Er was een ander die dacht dat dit mijnheer Lodewijk XIV was. Nog een ander gokte dat dit wel eens Napoleon kon geweest zijn. Uiteindelijk opperde er zelfs iemand dat het misschien wel eens de onderdanen zelf geweest waren. Het was moeilijk om niet in lachen uit te barsten. Ik deed het toch. Sorry lieve Aziaatjes… De maandagavond was zoals steeds weer een avond vol druk huiswerk maken. Alles concentreert zich steeds op die avond en net daarom is maandag echt wel de meest gehate dag van de week!

Ja, zoals ik al zei, een doodgewone week en dus niet veel speciaals. Dinsdagavond zijn we naar een Pools jazzconcert geweest dat echt heel goed was. We waren uitgenodigd door het Poolse consulaat in Irkutsk, omdat we Pools studeren veronderstel ik. Dit concert vond plaats in de chique, met draperieën behangen Irkutskse filharmonie, maar de muzikanten hadden beter gepast in een donkere kroeg. Het was in alle geval heel erg goed. Nog een grappig detail: er was een hele hoop mensen die tickets hadden voor onbestaande plaatsen. Achja, het blijft natuurlijk Rusland. Na afloop slaagden we er zelfs in een handtekening te bemachtigen van de man die de contrabas bespeelde, hehe. En we zagen de Poolse consul!

Woensdag hebben we niet veel speciaals gedaan. We zijn iets gaan drinken aan de cinema hier vlakbij, in café Jeans, omdat ze daar naar het schijnt plots ook draadloos internet hadden. Uiteraard werkte dit weer niet en wist niemand van iets en kon niemand er iets aan doen, maar we hebben toch een lekkere aardbeienmilkshake gedronken. Café Jeans is echt wel een leuk cafeetje eigenlijk, allemaal gekleurde zeteltjes, die echt geweldig zitten (ik had nog niet door dat ik hier eigenlijk echt wel het gevoel van in een zetel te zitten mis van tijd tot tijd) en als ge aan het raam zit is het een leuke sport om de ingeduffelde Russen met hun bontmantels en chique mutsen te bekijken.

Donderdag was weer een doodgewone dag. Buiten het feit dan dat mijn gsm gestolen werd. Ik heb geen idee hoe of wanneer het gebeurd is. Hanne en ik waren naar de markt geweest om ingrediënten te kopen. Ik had hem nog bij het kruidenkraampje en daarna zijn we nog vis (hij was bevroren en vanwege de koude bleef hij ook helemaal hard en bevroren tot we thuis waren) gaan kopen en vervolgens namen we de tram terug naar de dorm. Tja en daar merkte ik het, foetsjie! Voor de mensen die mijn Russisch nummer hadden: stuur er niet meer naar, want het bestaat niet meer. Snif, mijn arme gsm. Wel een slechte diefstal overigens: een telefoon zo oud als de straat, ingesteld in het Nederlands, met nog precies 27 roebel op de kaart… Achja, rien à faire zeker hé.

Nele en ik moesten koken ’s avonds (vis met ajuintjes en worteltjes en kruiden in de oven ingepakt in zilverpapier en puree) en we (vooral Nele) leefden ons uit in het maken van dierenvormpjes met het zilverpapier, iedereen kreeg een beestje dat bij hen paste.’s Avonds zaten we in de keuken wat te praten met Mieke en Kristien en er werd het idee geopperd om vrijdagavond eventueel naar de internationale studentenparty in de Megapolis, een van de discotheken hier, te gaan. Hanne en ik besloten eens te gaan vragen aan de Poolse meisjes, Barbara en Karolina, of ze geen zin hadden om mee te gaan. Vrijdagavond zou hun laatste avond hier zijn, want zaterdag vertrokken ze terug naar Polen. Natuurlijk bleven we weer eens plakken, wat zeer gezellig was, maar ook zeer gevaarlijk want op vrijdagmorgen hebben we om acht uur stilistika, werkelijk een rotvak en het is sowieso al moeilijk om te volgen en/of om wakker te blijven, laat staan dat we dan nog eens weinig geslapen zouden hebben… Maar het was heel plezant en we hebben Pools gepraat met Barbara, Karolina en Kostja, een Rus die ook Pools studeert en die een vriend van hen was en die een hippe berenmuts met een rode ster op mee had, dus het was ook nog eens educatief verantwoord.

Vrijdagmorgen stonden we dan ondanks alles paraat om naar stilistika te gaan. Het was de eerste keer dat Hanne en ik mee zouden doen met het derde jaar. Normaalgezien volgden we dit vak in het vierde jaar, maar omdat we nog nooit van ons leven iets zoals stilistika gezien hadden, was dat echt niet te volgen en na veel vijven en zessen hebben we nu dus eindelijk de toestemming gekregen om die les te volgen. Nele was er al één keer naartoe geweest, toen wij naar Olchon waren en had ons al gemeld dat het veel beter meeviel dan voorheen en amai én of dat het gemakkelijker was! Het mens was zelfs zo vriendelijk om alles wat al gezegd was nog eens extra uit te leggen voor de laatkomers (we waren en kwartiertje te laat door het verkeer), terwijl ze normaal iedereen die een minuutje te laat is meteen een minnetje geeft! De les was heel gemoedelijk, aan het bord oefeningen oplossen en dergelijke en ik kon zelfs heel goed volgen… Goh, wat een opluchting. Ze was zelfs niet boos omdat we naar Mongolië geweest waren! Hetzelfde met de professor van praktitsjeskij, zij zei zelfs dat het belangrijkste was dat wij ons daar geamuseerd hadden en dat het dus niet erg was dat we een les gemist hadden. Tof hé?

Vrijdagavond was er dan het afscheidsfeestje voor de Poolse meisjes, dat eigenlijk een heel klein beetje tegenviel en redelijk saai was. Paul had wel een lekker tacohapje gemaakt dat er bij iedereen gretig inging, maar veel volk ging om 23u al door, wat ergens logisch aangezien de obsjsjitie dan sluit. Uiteindelijk zaten we in de keuken Nicks liefdesleven te bespreken en vervolgens zijn we dan maar afgedaald naar de derde verdieping, naar de Russen. Daar hebben we nog even gezeten, wat gebabbeld en het spel ‘woordenslang’ in het Russisch gespeeld. Ook daar viel er niet echt veel te beleven en de meeste mensen leken nog moe van de avond ervoor, dus uiteindelijk lagen we heel vroeg in ons bedje.

Zaterdag hebben we de hele dag binnen gezeten en geleerd, of toch alleszins veel huiswerk gemaakt. Ik heb ook nog een wasje gedraaid (dat is hier letterlijk te nemen met ons voorhistorisch Sovjetwasmachientje) en ’s avonds hebben we belegde broodjes gemaakt, njamie! Kostja, de kleine buurjongen die vaak bij ons te vinden is, liep hier ook de hele dag rond en was zich duidelijk aan het vervelen. Hij is een paar keer binnengekomen en uiteindelijk heb ik zelfs een hartje uit krantenpapier gekregen om bij aan de muur te hangen met mijn verjaardagskaartjes. Och, ’t is zo’n schattig jongentje!

Vandaag (zondag 16/11) zij we wat gaan wandelen om nog eens wat foto’s te trekken. We hadden ons goed aangekleed, want er ligt wel wat sneeuw en het was -17. Geloof me, dat is koud! Gelukkig was er geen snijdende ijselijke wind zoals de dagen ervoor, dus uiteindelijk viel het nog mee en waren enkel mijn handen en mijn gezicht een beetje bevroren. Ook weer interessante dingen ontdekt: wanneer u uw neus snuit in uw zakdoek en deze vervolgens gewoon in uw jaszak steekt, kan diezelfde zakdoek wanneer u hem een tijdje later weer uithaalt wel eens bevroren zijn. We gaan hier toch binnenkort ons experiment met pannen met water in de lucht te gooien eens moeten uitvoeren. De zon schijnt hier wel en de lucht is helderblauw, maar verder is het echt wel vriezen. Niks meer op de wasdraad hangen dus! De sneeuw die hier overal ligt geeft alles echt wel een zeer idyllisch tintje… Benieuwd wat het morgen wordt!

Voila, nu heeft u eens een beeld van een doodgewone week in Irkutsk. We worden ons hier ten andere steeds meer bewust van de weinige tijd die ons nog rest en de vele dingen die we nog willen doen. Over een kleine zes weken ben ik al weer thuis, stel u voor! Time flies when you are having fun!

PS: Die vriestemperaturen hier hebben wel enkele voordelen. Zo kunt ge u soms al schaatsend voortbewegen op het voetpad en als ge vlees wilt verkopen, kunt ge dat toch gewoon ook langs de straat doen, het blijft toch bevroren! Dus zitten er sinds enkele dagen vrouwtjes langs de straat met een emmer vol koeienpoten, of wat koeienpoten uitgestald op een kartonnen doos: te koop. Achja, waarom niet, waarom zou ge een diepvries nodig hebben of een winkel en achja, de occasionele straathond (tja, waar die zich ’s nachts verstoppen, ik weet het niet, maar ze leven nog allemaal – denk ik) die er eens aan snuffelt, die kunt ge toch gewoon snel wegjagen? Als ge uw was buiten hangt hoeft ge ook al niet meer bang te zijn dat die gaat wegwaaien, want hij vriest gewoon vast aan de draad. Voila, niks dan voordelen dus en die bevroren vingers en neuzen, die nemen we er ook maar bij dan.

Van kameelrijden tot ziek zijn in de woestijn: Mongolië deel twee!

Waar waren we gebleven… Maandagmorgen stonden we op, ontbeten, pakten in, betaalden voor onze trip en onze overnachting en we waren klaar om te vertrekken. Maar onze chauffeur was dat niet. Nu moet gezegd worden dat de brave man een goed excuus had, want de avond ervoor was al het ‘personeel’ van de hostel uitgenodigd geweest op het huwelijk van een van de andere chauffeurs. Uiteindelijk zijn we rond 10u ’s morgens vertrokken in plaats van om 8.30u. We reden een hele tijd door Ulan Bator (echt vlot ging het verkeer niet, dat is echt overal in de wereld hetzelfde precies) en na een stop aan een winkel, waar Heleen en ik een hoop batterijen kochten die uiteindelijk toch niet bleken te werken, en waar we noedels, fruit en snoep insloegen omdat Bobby ons dit had aangeraden (“jullie zullen waarschijnlijk zowat elke dag hetzelfde eten krijgen”) en een tweede stop aan een tankstation gingen we op weg. De tankprocedure was wel lichtelijk anders dan ik gewend ben: op een gegeven moment begon onze chauffeur, een zeer aimabel man overigens, ons kakigroene Russische busje heen en weer te bewegen (let wel, wij zaten er nog in!) en hop, van links naar rechts, waarop wij besloten hem wat te helpen en we allemaal als gekken heen en weer begonnen te wiegen. Dit scheen onze chauffeur zeer te appreciëren en hij schonk ons een grote glimlach.

Na het vervullen van deze taken gingen we op weg. We reden de stad uit en al gauw bevonden we ons midden in de Mongoolse steppes. Hier en daar lag nog wat sneeuw, verder waren er bergen in de verte en vooral steppe. Af en toe passeerden we een gehuchtje (een hoop huizen en Mongoolse tenten (de zogenaamde ger) langs de kant van de weg) of zagen we een soort Boeddhistisch (vermoed ik, onze gids sprak maar enkele woorden Engels, dus hij kon het ons niet vertellen – of wij konden hem in de eerste plaats toch onze vragen niet duidelijk maken) tempeltje en verder kwamen we veel kuddes koeien, geiten en schapen, allen gehuld in een dikke pels (’t waren echte knuffelbeesten!).

Op een gegeven moment zagen we in de verte een soort stofwolk en een hele hoop geiten en enkele kamelen (kamelen!) die gehoed werden door twee Mongoolse mannen te paard. Het was echt wel een heel spektakel om te zien; die mannen die met hun paarden om de kudde heen zwierven en alle dieren die rondliepen en de kamelen (een stuk of drie) die daar op hun dooie gemak op een dor grassprietje kauwend tussenliepen.

Het is echt vreemd hoe groot het contrast was tussen Ulan Bator en het platteland is. Ulan Bator is niet zo heel groot, maar het centrum doet heel modern en eigentijds aan. Dan heb je het platteland, waar er nog heel veel tenten staan (gers – en ze zijn dus niet speciaals opgezet voor toeristen) en je nog heel veel mensen ziet die te paard hun kudde beesten hoeden. Heel veel mensen hebben ook nog een soort traditionele kledij aan, bestaande uit een grijs of bruin ‘kleed’ (à la paterken) met een gele, oranjeachtige band over. In Ulan Bator liepen er ook mensen zo rond, maar toch aanzienlijk minder dan op het platteland.

Ik weet niet wie, maar iemand merkte juist op dat de wegen er in Mongolië geweldig bijlagen en véél beter waren dan in Rusland en ja, als ge van den duivel spreekt… Een dikke tien minuten later hield de schone asfaltweg op en bevonden we ons op een zandwegel. Voor de rest van de dag en voor het grootste deel van onze trip. Nu zijn er meerdere wegels, volgens mij gewoon gevormd door het aantal keer dat er is over gereden en onze chauffeur vond het fijn om af en toe eens van pad te veranderen en vooral om met hoge snelheid door de bochtjes te razen. Wij werden door elkaar gerammeld en we voelden ons al redelijk haring-in-een-ton-achtig, maar wij amuseerden ons. De chauffeur had een cd van Boney M opstaan en de sfeer was zeer goed! Later zette hij Mongoolse muziek op, wat iets minder was, maar op een manier paste het wel bij het landschap en we voelden ons allen (naast haring) zeer Mongools.

Tegen 15u in de namiddag stopten we aan een soort wegrestaurant (dat gaat zo; er is steppe en steppe en steppe en steppe en dan hebben ze daar ergens een huis of drie neergeplant, waarvan er een dus een wegrestaurant is. Ja, dan staat ge daar, god weet waar in Mongolië en de kaart is opgesteld in het Mongools. Nu kunnen we dat wel (min of meer) lezen, want Mongools wordt neergeschreven in het cyrillisch met om een of andere reden af en toe een Griekse theta (als ik het me goed herinner van in het tweede jaar…) ertussen, maar begrijpen dat is iets anders. Het enige wat verstaanbaar was (naast de frisdranken) was goulash en onze mannen (Nick en Jeremy) kozen daar voor. Mij leek dit wat riskant, dus ik wees gewoon op iets dat andere mensen aan het eten waren en wat leek op noedels. Al snel kregen Jeremy en Nick hun maaltijd, die er werkelijk overheerlijk uitzag. Iets later kregen wij ons potje noedels. Het zag er nog redelijk uit en het was ook min of meer redelijk, maar ook niet meer dan dat. Het gerecht, wat waarschijnlijk een of zelfs hét nationale gerecht van Mongolië is, aangezien we later in de gers bijna niks anders te eten kregen, bestond uit de volgende ingrediënten: een waterige soep waarin dikke, maar lekkere noedelslierten dreven, omringd door vermoedelijk stukjes schapenvlees en stukjes vet. U heeft dat goed gelezen ja, puur vet, wit (tricky want zo soms moeilijk te onderscheiden van een bleekgele, beige noedelsliert!) en smeuïg. Die laatste twee ingrediënten zorgden ervoor dat het gerecht ook niet meer dan redelijk bevonden werd. Na het eten vroegen we onze sympathieke chauffeur de sleutel van de auto omdat we nood hadden aan een plaspauze en het toiletpapier nog in de auto lag. Nadat elk van ons (vier) elk van de sloten (drie) met elk van de sleutels (twee) had geprobeerd en geen van ons de auto open kreeg kwam de chauffeur (die waarschijnlijk alles door het raam had gezien en eens goed had gelachen denk ik) naar buiten en opende de deur met één draai van zijn sleutel. Vervolgens konden we eindelijk gebruik maken van het toilet, zoals steeds en zoals te verwachten viel het ondertussen al bekende ‘gat in de grond met kot/hout errond’-wc (neem het advies aan van een kenner van dit soort toiletgelegenheden: let op de windrichting!) en hierna vertrokken we weer.

Onderweg stopten we enkele keren omdat de mannen, zwakke wezens als ze zijn, hun blaas moesten ledigen, maar verder reden we en reden we en reden we. Tegen de avond was er weer zo’n een stop en aangezien we allemaal erg uitgelaten waren (het landschap was schitterend, overweldigend, de zon zou weldra ondergaan en hey, wij bevonden ons zo maar eventjes allemaal samen in een kakigroen busje gevuld met eten en chocolade in Mongolië dat werd bestuurd door een Mongool met een spleetje tussen zijn tanden, die net een cd vol Westerse muziek including ‘Dragosta din Tei’ had opgezet en wat heeft een mens nog meer nodig dan dat?) begonnen we spring-in-de-lucht-foto’s te maken. Onder andere in het midden op de weg. Voor onze auto stond er een hoopje Mongolen verzameld rondom een blauwe pick-up en met veel verbazing keken zei dit spektakel aan.

Nadat we onze energie wat kwijtgeraakt waren en een massa foto’s hadden genomen gingen we weer terug richting busje. Daar sprak een der Mongolen ons aan; “Camel?”. Wel, ja waarom niet, wij waren nog steeds dolenthousiast en riepen van “yes, yes!”. De Mongool zei dat we hen moesten volgen en ons busje reed achter hun pick-up aan. Een eindje verder sloegen we van de weg af (het was weer asfalt geworden) en niet ver van de weg af stond er een Mongoolse tent, waar die familie blijkbaar woonde en naast de tent stond een kameel, die door Heleen tot Edward gedoopt werd. Ha en toen heb ik dus kameel gereden!

Dat zit echt verbazingwekkend comfortabel zo’n kameel, zo tussen die twee bulten. Alleen het ‘opstijgen’ en het ‘landen’ was een beetje vreemd. Zo’n beest dat door zijn poten zakt, het geeft het gevoel van op een glijbaan te zitten. Iedereen maakte een ritje en we gaven die mensen er dan maar 1000 tukrik voor (wat eigenlijk een fortuin is voor hen, maar goed). Ondertussen was ook de zon ondergegaan en het was een magische zonsondergang geweest. Stel u voor, in Mongolië, in de steppe, aan een Mongoolse tent, op een kameel de zon zien ondergaan…

Hierna reden we nog enkele uren door en tegen acht uur bereikten onze overnachtingplaats. We installeerden ons in de ger, die wel voor ons gemaakt leek, want er pasten net zes bedden in, en we warmden ons aan het kacheltje in het midden van de tent. Het is verbazingwekkend hoe groot zo’n tent vanbinnen eigenlijk is, want van de buitenkant lijkt zo’n tent niet heel groot. Er stonden zes bedden in de rondte, een kacheltje, een doos vol hout, een klein tafeltje en zes kleine stoeltjes op kleuterformaat. Niet lang na onze arrivé in de tent kwam de gastvrouw zeggen dat ze eten voor ons zou maken en of we geïnteresseerd waren in een privéconcert van haar buurman, die Mongoolse instrumenten bespeelde en de edele discipline van het keelzingen uitoefende.

Tijdens het eten, heel lekkere ravioli/pelmeniachtige (’t is maar hoe ge het wilt noemen) pasta gevuld met groentjes besloten we te gaan voor den keelzanger (bizar: Word rekent ‘keelzingen’ fout aan, maar ‘keelzanger’ bestaat dan weer wel… gewoon ter uwer informatie). Na het eten kwam Mijnheer de keelzanger langs. Hij was gekleed in iets wat tot traditionele kledij kan gerekend worden en had een heleboel instrumenten mee. Hij speelde op een soort gitaar, dan op een tja, hoe noemt ge zoiets… Een soort gitaarachtig instrument met twee snaren op, dat ge met een strijkstok bespeelt, een harp en een fluit. De liedjes gingen voornamelijk over paarden en over Dzjinghis Khan. De man sprak zeer goed Engels en kon daardoor veel uitleg geven en zo ging hij een lied zingen waar hij vier soorten keelzingen in ging te berde brengen. Impressionant, maar vraag me niet naar het verschil tussen de vier soorten! Hij speelde schoon en zong schoon en het was een schoon einde van de avond.

Maar nog niet helemaal! Er volgde nog een gesprek over middelbare scholen in België (ja elke avond was er een ander thema) en ja, we (hm, maar toch vooral Nele geloof ik) choqueerden onze jongens nogal door over al de bizarre en excentrieke leerkrachten die we door de jaren heen gehad hadden te vertellen. Achja, ze vinden België sowieso al zeer fascinerend, enkele vreemde leerkrachten toevoegen aan hun beeld over België, niks mis mee toch? Na al deze boeiende verhalen kropen we in ons beddeken en vielen in een diepe slaap.

(dinsdag)

Dinsdagmorgen deden we dat we elke dinsdagmorgen doen. Opstaan. Ontbijten. Er was brood. Er was confituur. Er was pindakaas. Wat een golf van vreugde door de tent joeg. Vreugde en contentheid die vooral bij Jeremy te vinden was. Ik begrijp nog steeds niet wat er zo geweldig is aan pindakaas, maar het moet iets wreed zijn!

Na dit fantastische ontbijt waren we klaar om de road te hitten (tiens, ‘hitten’ is ook een bestaand woord volgens Word… meervoud van ‘hitte’? Andere vorm van ‘verhitten’? Fascinerend. ’t Is maar dat u het weet). Maar voor we dit konden doen bezochten we nog een tempel. We bevonden ons namelijk in de oude hoofdstad van Mongolië (Khorkarin), een kruispunt van culturen. Stel u niet te veel voor bij het woord hoofdstad, dit was gewoon een kleine stad.

Eenmaal het tempelcomplex binnen kregen we een gids en konden we aan de rondleiding beginnen. De gids sprak Engels, maar niet echt zeer goed. Ze was zich hier zelf ook van bewust en verontschuldigde zich meermaals met de woorden “sorry, I’m a student”. Om een idee te krijgen hoe het met haar Engels gesteld was, een voorbeeld. Jeremy stelt vraag, bijvoorbeeld “So is this the original stone or is it a replica?” waarop onze gids: “Okay.” Dit gebeurde meermaals (Jeremy bleef proberen) en het werd moeilijk om niet te lachen. De tempels zelf waren wel erg de moeite waard, ze waren zeer mooi. De buitenkant leek een mengeling van Chinese en Mongoolse stijl en binnenin waren er heel veel kleuren en versieringen aangebracht. Het was jammer dat de gids geen beter Engels sprak want ik weet niet zo heel veel van boeddhisme af en de betekenis van sommige dingen of beelden ontging me volledig. De tempels zijn UNESCO werelderfgoed en enkele jaren geleden zijn ze allemaal gerestaureerd geweest en dus was het echt wel de moeite waard om eens te bekijken. Na de rondleiding mochten we zelf rondlopen op het domein. In het begin was ons verteld dat we voor foto’s moesten bijbetalen, maar slinks en sluw als we zijn grepen we toen natuurlijk onze kans. Na nog wat rondgelopen te hebben kwamen we als vanzelf en als steeds uit bij de souvenirafdeling, alwaar Jeremy interesse toonde in een soortement schilderij op een soortement perkament (er is vast een naam voor). Tja, dat had hij in een bepaald opzicht misschien beter niet gedaan. Het afbiedspel begon en het eindigde ermee dat Jeremy wegliep en zei dat hij niet genoeg geld was. De dame liet haar Westerse vis natuurlijk niet zo snel gaan en bleef hem achtervolgen met haar rekenmachine (werkelijk nooit gedacht hoe handig rekenmachines in internationale conversaties kunnen zijn! Waarom zou iedereen zijn nek breken en moeite doen om ‘de getallen’ te leren in een andere taal als ge ’t kunt intypen op een rekenmachine!), waarbij ze hem sommeerde om de som die hij wilde te betalen in te tikken, waarop hij dit deed, waarop zij een hoger getal invoerde en zei dat lager gaan niet kon, waarop Jeremy zei dat hij niet akkoord ging, waarop zei weer Jeremy’s getal indrukte en hem vroeg om iets, zelfs maar een kleine beetje hoger te gaan, waarop hij dit deed enzovoorts en zo verder, de cirkel was zeer vicieus, de dame zeer vasthoudend.

Uiteindelijk hadden we het wel gezien daar in de tempels en aan de souvenirventers (we kochten niks aangezien de bankautomaat de volgende stop was en we anders misschien geen geld meer zouden hebben, als dat niet verstandig én economisch is?!) en we besloten terug te keren naar het busje. De souvenirmadam (óók al een bestaand woord volgens Word’, ik zeg het u, zeer fascinerend dit programma…) bleef Jeremy maar achtervolgen met haar perkament en haar rekenmachine, maar uiteindelijk droop ze af. Om na een minuut of vijf toch weer terug te komen en uiteindelijk toe te geven aan de prijs die Jeremy wilde betalen. Die jongen heeft daar een koopje gedaan! Zijn dag was goed!

Zoals ik al zei was de volgende stop de bankautomaat en nadat onze geldvoorraad weer was aangevuld gingen we de weg op, op naar het Great White Lake. We reden en reden en reden weer. Het landschap veranderde wel wat en werd meer bergachtig. Na de middagstop, in het laatste echte stadje, in een bakery/guesthouse waar ze heerlijk eten (lasagne!) serveerden aan nog heerlijker prijzen reden we zelfs echt de bergen in. Op een asfaltweg. Voor even. Hierna werden het weer zandwegels. Voor heel lang.

We reden, reden en reden weer eens. De Mongoolse muziek werd weer afgewisseld met de Westerse muziekcassettes. Geen idee hoe onze chauffeur de weg vond, want een echte weg was er niet, maar mijn vermoeden is dat hij zo ongeveer parallel met de elektriciteitspalen reed.

Uiteindelijk namen we nog een liftster mee, een vrouw met een baby, waardoor de plaats op de achterbank nog krapper werd en het zo mogelijk nog warmer werd. Er was in dat busje namelijk een chauffage, die zich achter de passagiersstoel en dus naast Hanne haar stoel bevond. Bovendien zaten wij ook nog eens naast de motor, die steeds zeer warm werd (af en toe stopten we om hem te laten afkoelen), dus het was echt bakken daar in dat busje!

Tegen een uur of negen ’s avonds kwamen we aan bij onze tent aan het Great White Lake, dat op dat moment nergens te zien was. Het was warm in de tent, we kregen eten (weer de noedel-schapenvleescombinatie) en ja, dan was het weer eens tijd om naar het toilet te gaan. Nu bevond dit toilet zich op zo’n dikke 200 meter van de tent. Nu blies daar een verschrikkelijk ijzige wind aan dat meer, en nu lag er daar ook al een redelijke laag sneeuw. U begrijpt, dit alles was niet erg aangenaam.

Uiteindelijk gingen we slapen na een gesprek over besmettelijke ziektes. Het was een rustige nacht, warm dankzij de slaapzakken van het Amerikaanse leger die we hadden meegekregen van het Guesthouse (dankuwel Amerika).

(woensdag)

De volgende morgen gingen we na ons ontbijt, bestaande uit droge sneden brood, die ik dan maar roosterde op de haard, wat ze iets beter maakte maar nog steeds niet echt lekker (anderen waagden zich aan een potje noedels, maar dat ging me er nu net over om dit als ontbijt te eten), wandelen langs het meer. En op het meer! Het landschap was fabuleus prachtig, bergen bedekt met wat sneeuw, het meer dat voor de helft al bevroren was, waar ook sneeuw op lag, de kuddes met yaks, de Mongool die passeerde op zijn paard… We konden zelfs op het meer wandelen en ‘schaatsen’, zo hard was het ijs. Nick amuseerde zich door ijsblokken op het meer te gooien en te zien hoe ver ze weggleden en wij ondernamen pogingen om tot aan een rots in de verte te lopen. Ik dacht ook nog eens op het ijs te gaan staan, waarna ik onderuit gleed en zeehondsgewijs op mijn buik achteruit gleed. Pijn? Neen, wel hilarisch grappig.

Uiteindelijk beklommen we de rots, vanwaar we een schitterend uitzicht hadden; voor ons het deel van het meer dat nog niet bevroren was en dat zachtjes kabbelde, zoals de zee en achter ons het grote bevroren meer omringd door bergen en links van ons de steppes en andere bergen. Hierna wandelden we terug naar onze tent. Het was vrij koud, maar we waren dik aangekleed (thermisch) en het was doenbaar.

In de tent kregen we middageten, ditmaal rijst met schapenvlees en wat soepachtige substantie. Na het middageten was het tijd voor het hoogtepunt van de reis waar we al dagen over bezig waren: de tiny little horses! Al zo’n week lang kwam er niet veel meer uit Jeremy dan “tiny little horses” en nu was het eindelijk zo ver: we gingen er op rijden!

De paarden stonden buiten al klaar in de kou. Ze waren inderdaad klein, stevig gebouwd en zeer fluffy, precies zoals ik me een Mongools paard had voorgesteld. We kozen ons er elk eentje uit en we vertrokken. Ja, ik had al meteen door dat mijn knollebeest niet van de snelste was en dat er niet echt veel fut en vooruitgang in te krijgen was. Desalniettemin was het een hele fijne tocht en het is ongetwijfeld het mooiste landschap geweest waar ik ooit al in heb paardgereden. Het beest was echter niet vooruit te branden…

Na een eindje rijden stopten we ergens, waar we de paarden gewoon lieten staan en onze Mongoolse gids, die te voet achter ons aan was gelopen (dit geeft al aan met wat voor een snelheid die dieren zich voorbewogen) en geen woord Engels sprak, bracht ons naar een hele grote, diepe put ergens in de grond. Aangezien hij geen Engels sprak heb ik geen idee wat dit geweest kan zijn. Beneden in de put zaten er een soort witte hermelijnen die tussen de rotsen kropen. Overal rond de put stonden er ook in winterpels gestoken yaks te grazen.

Na deze stop gingen we weer verder. Ik zat rustig op mijn rustige paardje, te genieten van het landschap en opeens komt Jeremy daar toch wel niet naast mij rijden zeker. Zit er dan toch wel geen kleine Mongool (aka onze gids) achterop bij hem zeker. Heeft die jongen dan toch zijn droom kunnen verwezenlijken… Zijn dag was wederom goed! Verder ga ik hier niet over uitweiden, maar de mens was zeer content. Ik ook trouwens, want de Mongool gaf mij een tak en gebaarde dat ik het paard daarmee moest aansporen. Na enige tijd gingen we dan ook zelfs in draf, jochei! Galop is er nooit echt van gekomen, maar ik was al lang blij dat dat beest eens iets anders deed dan gewoonweg voort te sjokken. We reden nog een eindje verder, waarna we weer een stop maakten en daar een grot ontwaarden, met water erin dat bevroren was en waar we dus op kon de lopen. Heel erg chique en iedereen had er spijt van dat niemand zijn fototoestel meegenomen had, maar achja, het zit in onze gedachten opgeslagen zullen we maar zeggen. We reden echt nog een hele tijd door het mooiste landschap ooit, voelden ons zowaar nazaten van Dzjinghis Khan (alhoewel, ik vermoed dat die mannen toch wel op impressionantere paarden reden… En anders toch wel dubbel respect dat ze met zulke beesten zowat de helft van de wereld veroverd hebben hoor!) en na een hele tijd waren we aan onze laatste stop aangekomen. De vulkaankrater. Geen idee of hij nog actief was van tijd tot tijd, maar ik denk het niet. Het was een hele klim naar boven, maar het was zeker de moeite waard. Het was wel goed dat we zo’n eind moesten klimmen eigenlijk, want van zo zomaar op dat paardje te zitten krijgt ge het nu ook niet bijster warm. Na deze laatste stop was het tijd omweer terug tentwaarts te keren. We namen een andere weg terug en we moesten een heuvel afdalen om weer aan de tent te geraken. Dit was werkelijk het fijnste moment van heel de rit, want mijn paardje ging zowaar, eureka, eventjes in galop! Het leek wel een idyllische filmscène, de ruiters die terugkeerden van hun tocht en de heuvel afdalen…

Pas toen we de tent binnengingen, waar het lekker warm was, want het stoveken had de hele namiddag gewerkt, beseften we hoe koud we het hadden. We begonnen ons op te warmen en in afwachting van het avondeten warmden we alvast een potje noedels op. Een tijdje later werd ons echte avondeten geserveerd en ho, het was beter dan de avond en de middag ervoor. ’t Was weer rijst met schapenvlees, maar het dreef tenminste niet allemaal rond in een soort soep. Mjamiemjamie. Na alweer een uiterst boeiend gesprek, dat niet zo lang doorging als anders, we waren tenslotte allemaal nogal vermoeid van het paardrijden, gingen we weer gaan slapen.

(donderdag)

’s Nachts werd ik plots wakker omdat ik lawaai hoorde. Bleek dat Nele op was en dat ze heel erg ziek was (ik zal het schoon omschrijven als ‘last van de maag’). Ja, nu ze dat zo zei, mijn maag lag precies ook een beetje overhoop. Maar ik ben toch terug in slaap gevallen.

De volgende morgen was Nele nog steeds niet veel beter en ik en Hanne voelden ons ook niet tiptop. We pakten onze spullen bij elkaar en het was tijd om te vertrekken. Bleek dat onze gids van de dag ervoor ook meereed met ons tot aan de volgende stad. Weer proppen op de achterbank dus, weer gezellig warm. Nadat we aan dit dorp waren aangekomen wisselden Nele en Nick van plaats zodat Nele nu vooraan zat want ze voelde zich echt niet goed. Wat wilt ge ook, al ziek zijn en dan op die verschrikkelijke wegen vol putten en kronkels en ijs die eigenlijk geen wegen zijn, rijden!

We reden verder en ook ik werd steeds zieker. Toen we stopten aan de canyon om deze van dichterbij te bekijken en te fotograferen besloot ik het er op te wagen en één van Heleens magische Poolse pilletjes te nemen. Het ging al beter hierna, maar niet voor lang.

’s Middags stopten we weer in dezelfde bakery/guesthouse als twee dagen geleden. Zo’n zonde dat ik ziek was dus, gezien de heerlijke maaltijden daar. Nele, Hanne en ik besloten het aloude beproefde Belgische recept van platte cola voor de zieke maag toe te passen en de rest voelde zich nog steeds perfect in orde, dus zij aten gewoon rustig op het gemakske een hamburger of een lasagnaatje. Wij kwamen daar dus binnen en vroegen gewoon om een cola, waarop de serveerster het al een beetje vreemd vond dat we geen eten wilden. Hierna vroegen we haar ook nog alle drie om een koffielepeltje waarop ze ons natuurlijk nog vreemder vond. Uiteindelijk bleek de combinatie platte cola en een sneetje brood toch niet echt wonderbaarlijk te zijn. Laten we zeggen dat het er weer uit kwam.

Er zat helaas niets anders op dan weer de auto in te kruipen. We stopten nog aan een winkel, waar Hanne en ik welgeteld drie seconden binnen waren, waarna we weer naar buiten moesten omdat we het gewoon niet aankonden. Amai zeg, zo ziek ben ik van mijn leven nog niet veel geweest. Ik die al bijna nooit echt ziek word, laat staan aan mijn maag en daar in Mongolië, buiten het bereik van wat voor dokter dan ook, gebeurt dat natuurlijk weeral. Onze buschauffeur had het wel een beetje door en sloeg er in om dikwijls net op het goede moment te stoppen. Gevoel voor timing had hij wel. Na de middag werd ook Heleen ziek, u gelooft het of niet. In het guesthouse waar we gegeten hadden vertelde een Duitse vrouw die in Mongolië woonde ons dat zij drie weken geleden ook heel erg ziek was geweest (zelfde symptomen) en al haar buitenlandse vrienden had besmet. Uiteindelijk hebben wij dan maar geconcludeerd dat er in Mongolië een zeer mysterieus virus rondwaart dat zich richt op buitenlanders en dan met name degenen die nog nooit eerder in Mongolië waren. Want Nick, die al eens in Mongolië was geweest, had nergens last van. Jaja, geloof het of niet, maar tegen dat we ’s avond (ein-de-lijk!) aankwamen in de mini-Gobi woestijn was ook Jeremy getroffen. Hij sprong de auto uit en liet zich meteen gaan. Ik ga u de details besparen, maar de honden hebben goed gegeten die avond (sorry voor al degenen die dachten mijn blog eens rustig tijden hun eten te lezen…).

Ja, het was de hel van Charlepoegne, dat verzeker ik u! We hebben die hele verdere avond niks meer gegeten en ik heb ook niks meer gedronken. Nick was de enige die wilde eten en het was zeer moeilijk om dit aan de Mongolen uit te leggen: ze kwamen toch nog met vijf porties noedels en schapenvlees mengsel aandraven; Nick heeft zijn best gedaan en er dan maar drie van op gegeten, met veel smaak. Ho man, dat was dus werkelijk een kwelling voor mijn oren om die jongen te horen eten alleen al… Mijn maag werd wederom sterk op de proef gesteld. Ik ben dan maar snel gaan slapen, net zoals iedereen, behalve Nick, de gelukzak. Hij scheen het ook nog fijn te vinden om ons een beetje te pesten met onze toestand, achja zo is hij dan ook weer.

(vrijdag)

Vrijdagmorgen werd ik wakker en ik voelde me merkelijk beter. Ik waagde me zelfs aan enkele van de lekkere broodjes die we te eten kregen. Iedereen leek min of meer beter te zijn en goed geslapen te hebben. Alleen Heleen scheen nog wat last te hebben, maar dit beterde weer in de loop van de dag (’s avonds verslechterde het ook weer voor sommigen, maar dat leest u later dan wel).

We trokken nog wat woestijnfoto’s, pakten onze spullen in en vertrokken weer op weg naar Ulan Bator. ’s Middags stopten we om te eten, wat helaas geen groot succes was, zeker toen bleek dat er geen spaghetti bolognaise beschikbaar was. Ik hield het bij een blikje cola, Nick, Jeremy en de buschauffeur waren de enigen die echt aten. Ik wilde het voorzichtig aandoen, want we waren al heel de week bezig over hoe heerlijk het wel niet zou zijn om vrijdagavond nog eens in die geweldige Irish Pub te kunnen gaan eten…

Rond vier uur kwamen we weer aan in Ulan Bator, in zeer uitgelaten stemming. We hadden de chauffeur namelijk gewoon gevraagd of hij de dragosta din tei en shakira cd nog eens kon opzetten en dat had hij gedaan en de cd was net aan ronde twee bezig. Feestje in de bus dus! Na een stop aan de winkel om de mondvoorraad voor op de trein te kopen, reden we door naar UB Guesthouse. Daar mochten we nog een douche nemen, onze spullen in een kamer droppen, gebruik maken van het internet en de thee- en koffiefaciliteiten (als dat geen schone omschrijving voor wat neerkomt op een waterkoker, weet ik het ook niet meer hoor!), top dus. Hanne en ik douchten ons beiden heel snel en vertrokken toen naar een souvenirwinkel om de nodige souvenirs in te slaan (nodig inderdaad, ons Mongools geld moest toch op?!). Uiteindelijk kocht ik een stuk of zeven souvenirs voor zo’n zeven euro, ik zeg het Mongolië is geweldig voor de ‘goedkoop’.

Nadat iedereen gedoucht geraakt was vetrokken we naar de Irish Pub. Heleen was helaas terug een beetje ziek, dus zij at niet, maar wij bestelden allemaal een heerlijk gerecht, waar we erg van genoten hebben. Ik kreeg mijn pesto-mozarella-kip hamburger met frietjes (het was zelfs nog lekkerder dan het klinkt!) maar half op, wat Jeremy zonde vond en hij overtuigde me om er toch nog een kwart van op te eten. Jeremy ging zelfs nog voor een cocktail, wat er zeer stijlvol uitzag. Het moge duidelijk zijn; wij waren weer helemaal gezond!

Na dit godenmaal gingen we terug naar UB Guesthouse om onze spullen op te halen. Alweer beladen als ezeltjes vertrokken we richting station. We namen weer een taxi, die Bobby voor ons regelde door wat met haar hand langs de weg te staan zwaaien. Ditmaal geen problemen en we werden netjes afgezet aan het station. Daar was het zeer druk en we zetten andermaal een rugzakkenfort op waar we allen rond gingen staan, terwijl twee mensen gingen uitzoeken waar we onze trein moesten nemen. Uiteindelijk arriveerde hij en niet lang daarna zaten we weer gezellig in onze warme coupé. Onze warme luxecoupé: veel schoner en moderner als de trein waarmee we gekomen waren (en dat voor de helft van de prijs van ons Russisch ticket!), het deed vliegtuigachtig aan zelfs. We hadden zelfs een televisiescherm, dat helaas nooit werkte, maar toch, het was er! En warm, zoals gewoonlijk. Ik zeg wel zoals gewoonlijk, maar slaaptreinleken als we waren wisten wij dit weer niet (dus dààrom had Nick een paar slippers aan zijn rugzak hangen!). Eén goede raad dus voor als u ooit van plan zou zijn in Rusland een lange afstandstrein te nemen: neem een zomeroutfit mee want de temperaturen op de trein zijn tropisch! (Wij hadden wel onze bikini mee, maar dat zou er nu net over gaan). We zaten wat in onze coupé, maar al gauw gingen we slapen, het was tenslotte al na 21 uur ’s avonds en in tegenstelling tot de vorige rit leken er weinig interessante mensen op de trein te zitten.

(zaterdag)

Niet bijzonder veel speciaal gebeurd. Ik at nog een portie noedels (ik ben ze grondig beu gezien nu), we babbelden wat en we spendeerden weer vele uurtjes aan de grens. Aangezien niemand zijn gewone kleren aandeed die dag, hebben we hem maar omgedoopt tot pyjamadag.

(zondag)

Zondagmorgen om 7.40 kwamen we weer aan in Irkutsk, waar het aanzienlijk kouder was dan in Mongolië. We namen de tram en al snel waren we weer terug in onze vertrouwde habitat, den obsjesjitie. De dames (conciërges) beneden begroetten ons supervriendelijk, amai wat een thuiskomst! Bleek dat ze goedgezind waren omdat we de dag voor vertrek onze bedden nog versleept hadden en we moesten een papier ondertekenen dat we een bed en een matras en een hoofdkussen en dergelijke ontvangen hadden. Ik vermoed dat er weer stempels aan te pas gingen komen, dat is namelijk nogal populair hier in Rusland.

Nadat we Paul en Mieke en Kristien (die laatste twee hadden we echt al lang niet meer gezien, aangezien zij twee weken naar Sint Petersburg waren geweest) even wakker hebben gemaakt hebben we ons dan maar terug geïnstalleerd in ons oude leventje en kamertje in de dorm.

’s Avonds heeft Paul dan voor iedereen gekookt, patatjes met kip in de oven, heel erg lekker en hebben we Thanksgiving gevierd. Bijgevolg hangt de hele muur naast de badkamerdeur nu vol met papieren vol dankbare woorden (dank u voor Rusland, dank u voor de vriendelijke Rus, dank u voor skype, dank u voor Russische meisjes (Nick en Paul), dank u voor country music, dank u voor tiny little horses enzovoorts en zo verder, er zijn er maar een paar zinnige bij). En dat was dan het definitieve einde van de Mongolië-periode… Het was schoon, het was fijn, het was geweldig, maar zoals aan alle mooie liedjes kwam ook hier weer een einde aan…

Van Dzjinghis Khan tot een kapotte sjakosh: Mongolië (deel 1)

Van vrijdag 31 oktober tot zondag 1 november hebben wij een weekje vakantie genomen en wat kan een mens in Irkutsk dan beter doen dan eens een uitstapje te maken naar het naburige Mongolië? Wij, dat zijn eerst en vooral ik (of wat had u nu gedacht), Hanne, Heleen, Nele, Jeremy (de Canadees) en Nick (de Tasmaniër/Australiër, al denk ik dat hij zelf de eerste term prefereert). Een jolige bende, dat heeft u al begrepen.

Nadat we allen min of meer bekomen waren van het afscheidsfeestje voor de Polski’s, ofte de Poolse meisjes, die er nu trouwens toch nog zijn (maar dat is een ander verhaal) en nadat we nog ‘snel even’ onze oude bedden hadden omgewisseld voor nieuwe (wat betekende zelf de bedden van de vierde verdieping via de trap naar boven sleuren) stonden we vrijdagavond rond een uur of zeven gepakt en gezakt en vooral voorzien van veel voedsel klaar om te vertrekken. We sprongen al gauw op een bus waar ‘station’ op stond, wat uiteraard onze bestemming was. Nu moet u weten dat er in Irkutsk twee stations zijn. Nu blijkt ook dat men het in de bus niet nodig vindt om aan te geven of de bus naar het eerste, dan wel het tweede station rijdt. U heeft het al in het snotje: wij zaten op de foute bus. Ik scheen de eerste te zijn die dit merkte maar aangezien iedereen nog steeds jolig zat te wezen dacht ik van “och, ge vergist u weeral eens, zij zullen het wel weten”. Niet dus. We zijn er ergens ten velde in Irkutsk uitgesprongen en na wat paniek en heen en weer geloop zaten we op de juiste bus en al gauw doemde het station voor ons op. In de stationshal was het een drukte van jewelste maar gelukkig zagen we Heleen en Paul (de Zuid-Afrikaan), die ons als een echte ‘batiushka’ kwam uitzwaaien, al snel. Na wat wachten verscheen ook het perronnummer op het infobord en na het afscheid van Heleens Russische ouders waren we klaar om te gaan. We namen onze cabines in beslag, de vier meisjes zaten samen in één en de twee jongens zaten samen met een Brits en een Australisch meisje in een cabine. We zaten wel allemaal in dezelfde coupé. Na een halfuurdurend afscheidsritueel van Paul, inclusief gekke bekken, zwaaien en onnozele foto’s waren we écht volledig klaar voor vertrek. De trein zei “toet toet!”, het machtige gevaarte zette zich in beweging en weg waren we! (Ik weet eigenlijk niet of de trein echt “toet toet” zei, maar het leek me cool als hij dat wel zou doen, zodus beeld ik me maar in dat de trein van “toet toet” deed).

Zo, daar zaten we dan. Voor de komende 36 uur. Ik kreeg een plekje op de onderste slaapbank, Nele en Hanne sliepen van boven. Zo’n ‘cabine’ is eigenlijk nog vrij handig ingericht, ik keek mijn ogen uit, als slaaptreinleek (but not anymore!). Onder de onderste slaapbanken is bergruimte, boven de bovenste ook, er is algemeen licht, iedereen heeft dan nog een leeslampje, er is een tafeltje, de bovenste bedden kun je tegen de muur vastmaken en de onderste kun je ook omtoveren in gewone zitbanken. Vooraan in de coupé was er een toilet (flush! En uw ‘ding’ lag op de sporen, vandaar dat dit toilet gesloten bleef bij grensovergangen en op stations) met lavabo. Er is ook constant heet water te verkrijgen uit een heel ingewikkelde en imponerende waterkoker… Bijgevolg werden we gedwongen ons te vullen met brood, snoep en noedels.

Vrijwel meteen bleek dat onze coupé zowat vol buitenlanders zat. Bleek dat er een reisgezelschap van Australiërs en Britten aanwezig was. Daarnaast waren er twee coupé’s met Mongolen, die naast ons en een andere verder op de gang. De Britten en Australiërs bleken net als wij een jolige bende. De Mongolen naast ons bleken voor de televisie te werken en waren afgereisd naar Leningrad (Sint Petersburg) en hadden daar een reportage gemaakt over de Kalmukken die ginds leven. De camera- en geluidsman waren van onze leeftijd, de regisseur en een andere man die er om een of andere reden ook bij was (tot op heden is het nog steeds geheel onbekend wat zijn rol in het reportage-verhaal was) waren wat ouder. Na enige tijd verklaarde deze laatste dat hij verliefd was op Nele haar schoon ogen (een weinig later bleek dat de man nogal snel verliefd werd en dat eender wie goed genoeg was voor hem, bijgevolg probeerde hij al het Belgische vrouwvolk eens uit). Ondertussen had ik ook al kennisgemaakt met de genaamde John Garlick (die jongen heeft zijn naam ook niet zelf gekozen natuurlijk), een vrolijke Australiër. De Mongolen nodigden ons uit om mee in hun coupe te komen en daar hoorde natuurlijk onvermijdelijk ook een glaasje vodka bij! Wij leerden dat “Sante” in het Mongools “Toch-Toj!” is en deze kreet ging meermaals de coupe rond, want de Mongolen bleven iedereen maar inschenken. Meneer de oude Mongool zonder duidelijke functie was al zwaar boven zijn theewater en dit werd alleen maar erger. Bijgevolg werd Meneer de Mongool ook steeds handtastelijker. Ik paste een keer of drie een of ander houdgreepmanoeuvre toe op de Mongool die zich volledig op Nele concentreerde. Vervolgens werd zijn aandacht wat verdeeld en wendde hij zich afwisselend tot Hanne, Heleen en ik. Uiteindelijk lieten we de Mongolen maar voor wat ze waren en nadat Jeremy de oude vreemde Mongool in een houdgreep had genomen trok de Mongool zich dan maar terug in zijn cabine waar hij vermoedelijk als een blok in slaap viel. De volgende morgen verscheen hij weer en we hebben hem toen maar wijselijk vermeden… We kregen wel twee cadeautjes van de Mongolen in de loop van de dag: een dvd over Mongolië en een pak postkaartjes met Mongolen in allerhande nationale outfits.

Na onze eerste kennismaking met het Mongoolse volk (quote Jeremy: “That situation was so Mongolian, it was like a typical Mongolian guy I guess…”) volgde een iets aangenamere ontmoeting met de rest van de bende Britten en Australiërs die al een week of drie onderweg waren van Sint Petersburg naar Mongolië. Sommigen gingen hierna weer naar huis, anderen zouden nog verder reizen. Ze hadden al een geweldige tijd beleefd, aan rato van 10-25 flessen vodka per etmaal (hun woorden), waar ze op een gegeven moment zelfs een boete voor hadden gekregen op de trein. John Garlick zijn hoofd zat ook alweer een eind verder en toen er bij een stop onderweg sneeuw op het perron bleek te liggen sprong hij prompt het perron op om in de sneeuw te gaan spelen. Op blote voeten (quote: “I’m from Australia, I’ve never had snow, you see, it’s fucking amazing!”). Jawadde, het was me wat die bende. Ze hadden ook een mascotte mee, de u allen welbekende held ‘Pingu’. O, hij was werkelijk geweldig! Hij danste en bewoog en flapperde met zijn vleugels en werd helaas gekidnapt door den Australien en ontvoerd naar onze cabine. Waarna wij hielpen bij de teruggave van onze Pingu aan zijn rechtmatige eigenaar. Kortom het was een fijne avond en we hebben niet heel erg veel geslapen…

De volgende morgen werden we wakker (ja, we hadden natuurlijk wel een béétje geslapen), aten wat, zochten uit hoe het met de rest gesteld was (goed) en toen was er De Grens. De Russische grens met niemandsland, waar we zo’n zes uur hebben gespendeerd. We mochten buiten rondlopen dus gingen we de buurt maar even verkennen. Er was weinig te doen eigenlijk, een marktje vol brol en pruts, een winkeltje, een leeg perron. Maar oo-ook… een parkje! (Ik vermoed dat dit een anticlimax is voor u, maa-aar) er lagen dus wel koeien in dat parkje! Heleen en ik gingen met onze voeten door de gevallen blaadjes stampen, waarbij we de koeienvlaaien probeerden te ontwijken. Wat gelukt is, hoera voor ons! Verder stonden er wat standbeelden die heftig waren toegetakeld, maar Heleen kreeg toch waar ze om gevraagd had: een hert! Jammer genoeg kon ze er niet op rijden, maar goed, het was een begin en wie weet wat de trip ons nog allemaal zou brengen! Hierna speelden we nog wat frisbee en american football met de andere jolige bende en hierna gingen we maar wat op de trein zitten. Na een hele papierwinkel en paspoortcontroles reden we verder. Tot aan de niemandsland-Mongoolse grens. Waar ongeveer het zelfde scenario volgde, maar dan minder lang. En nooit vergeten in zo’n geval: al die tijd kunt ge niet naar het toilet, want het blijft onverbiddelijk gesloten en in het (Russische) station is er geen…

Hierna zaten we weer een hele dag op de trein. Er werd over van alles gepraat, maar het populairste thema bleef toch wel de ‘tiny little horses’, waar al een week voor ons vertrek druk over gepalaverd werd. En we zagen ze zelfs lopen over de velden! De reis was nu al half geslaagd, dat begrijpt u wel.

Die avond gingen we vroeg slapen en na een korte nacht arriveerden we om 6.10u in Ulan Bator. De mensen van de hostel stonden al klaar met een bordje voor ons (“Marie-Laure Bettens” en “UB Guesthouse”) en in twee auto’s voerden ze ons naar daar. Daar kregen we een grote kamer voor ons zessen en nadat we onze spullen daar hadden rondgestrooid kropen we in onze brede stapelbedden voor enkele uurtjes (vooral Jeremy had hier deugd van…).

Na dit slaapje trokken we de stad in. Missies waren: geld afhalen, eten en op de foto met den Dzjinghis. Die eerste missie mislukte al goed; mijn visakaart bleek niet te werken en een bank vinden waar je met Maestro geld kon afhalen bleek ook niet eenvoudig. Op naar missie twee dan maar, eten! Hier slaagden we gelukkig wel: in een soort van Mongools fastfoodrestaurant aten we voor zo’n drie euro een overdadige maaltijd die we amper opkregen. Het was nog lekker ook! Tijdens het eten voorzagen we een vermoedelijk Chinese soap die in het Mongools werd gedubd van onze eigen ondertitels: hilarisch! Na nog een rondje bankautomaten (resultaat nog steeds negatief) trokken we terug naar het Guesthouse om daar te melden dat we besloten hadden om samen vijf dagen en vier nachten naar het platteland te gaan. We hebben daar een hele poos moeten wachten, maar uiteindelijk geraakte het geregeld en ging er zelfs iemand voor onze treintickets terug naar Irkutsk zorgen, als dat niet makkelijk is! Vreemd hoe eenvoudig dingen hier soms verliepen, in vergelijking met wat er in Rusland vaak aan papierwerk en dergelijke moet worden verricht. Na een onderonsje met Bobby, de gastvrouw van de Guesthouse besloten we onze derde missie te vervullen, zijnde den Dzjinghis! We wandelden door de straten van Ulan Bator en Nick, die hier al eens eerder was, was onze gids. Het centrum van Ulan Bator doet heel erg modern, eigentijds aan: moderne architectuur, veel restaurants, bars en dergelijke. Misschien is het omdat ik al zo een tijd in Rusland leef, maar ik vond het geheel iets hebben van een Europese stad, het was allemaal erg erkenbaar, ook al liep het er dan vol Mongolen en kon je de toeristen er zo uitpikken.

Uiteindelijk belandden we op een groot plein met een gigantisch gebouw (het parlement of iets dergelijks geloof ik) waar onzen Dzjinghis gezeten zat in een gigantische zetel, geflankeerd door twee Mongoolse ruiters op paarden. Voor de duidelijkheid; ik heb het hier over standbeelden. Ook was er een groot standbeeld van Soeche Bator, maar de grote held was duidelijk Dzjinghis. We namen onze foto’s (missie drie geslaagd) en hierna haastten we ons naar de straatkant om een taxi te nemen naar de zwarte markt. Bobby had ons verteld dat we met de chauffeur 3000 (twee euro) Tukrik per auto moesten overeen komen, want meer betekende afzetterij. Zo gezegd, zo gedaan en algauw waren we in twee auto’s op weg naar de zwarte markt.

Bobby had ons gewaarschuwd dat er in Mongolië ongelooflijk veel zakkenrollers zijn en dat deze zowat elke mogelijke (menselijke weliswaar) vorm kunnen aannemen; jong, oud, alleen, in groep, man, vrouw. Een gewaarschuwd man is er twee waard en bijgevolg hadden wij ons paspoort thuis gelaten en al ons geld verdeeld over onze binnenzakken. Ik had mijn zwart tasje mee om mijn fototoestel te kunnen in steken en aangezien het niet zo koud was als verwacht, staken ook mijn handschoenen en muts er in. Heleen had haar rugzak mee, die ze buikwaarts droeg en Hanne had ook haar kleine zakje mee. Verder had niemand een of andere zak mee. Eenmaal aangekomen op de markt spraken we een uur af waarop we elkaar terug zouden zien, aangezien het er zo ongelooflijk druk was. Ik bleef samen met Hanne en Heleen hangen aan een mutsenkraam terwijl de rest verder ging. Er passeerde redelijk wat volk, maar het was niet echt drummend druk. Ik en Hanne begonnen wat mutsen aan te wijzen die we wilden passen en terwijl we dit aan het doen waren kwam er plots een hele horde vrouwen rondom en tussen ons staan duwen en trekken en praten en roepen. Ik had al vrijwel meteen door dat die daar niet allemaal zomaar opeens dringend een muts nodig hebben en klemde mijn hand stevig rond het bandje van mijn zakje. Plots voelde ik een stevige ruk aan mijn tasje en vrijwel meteen greep ik het vast. We besloten voort te maken en betaalden voor onze mutsen. De hoop vrouwen leek op te lossen in het niets. Pas toen we verder liepen had ik de kans om min of meer ‘veilig’ naar mijn tasje te kijken. Die smeerlappen hebben het gewoon kapotgesneden van langs de zijkant!! Er was niks uit, pech voor de zakkenrollers; geen buit (ik zei al dat ze geen muts nodig hadden), maar het gaf me toch een onbehaaglijk gevoel. Heleen haar jaszak bleek ook opengeritst te zijn, maar ook daar stak gelukkig niks in. Hierna klemden we ons alledrie aan onze zakken vast als waar het reddingsboeien. Een gewaarschuwd man en een ezel die zich geen twee keer stoot zijn een mooie combinatie!

Na nog wat rondgelopen te hebben op de markt, die echt gigantisch groot was en waarbij Heleen haar zak nogmaals werd opengeritst, ditmaal door een kleine jongen, begaven we ons weer naar de uitgang. Daar vonden na een tijdje ook de anderen en zochten we dan maar een taxi die ons terug naar het guesthouse kon brengen. We spraken een taxichauffeur aan en alweer dook er een hele groep mannen op die rondom ons begonnen te schreeuwen. U raadt het al, andere taxichauffeurs, die zo’n groepje argeloze buitenlanders maar wat graag wilden vervoeren in hun taxi. Er was ook één dronken man onder hen die ons wat lastig viel, maar omdat de taxichauffeur ons snel naar zijn taxi leidde, hadden we daar niet echt veel last van. Een vriend van deze man nam de andere drie onder zijn hoedde en zo waren we weer met twee taxi’s onderweg. We hadden vooraf afgesproken om 4000 tukrik per auto te betalen, meer  dan bij de heenrit, maar we hadden niet veel zin om nog lang in de troep taxichauffeurs te staan en dus leek dit ons een aannemelijk bod. Toen we aankwamen aan de guesthouse bleek de snuggere taxichauffeur ons opeens toch niet zo heel goed verstaan te hebben en hij vroeg 4000 tukrik per persoon. Wij weigerden dit en zo ontstond er een relletje buiten aan het guesthouse. Ik besloot dan maar snel naar boven te lopen en hulp te gaan vragen aan iemand in het guesthouse. Ons Mongools is nog steeds niet denderend, dat begrijpt u. Om een lang verhaal kort te maken: uiteindelijk betaalden we 6000 tukrik per auto en dit zeer tegen de zin van Nick, maar goed aan de andere kant, voor vier euro kunt ge nu ook niet sukkelen…

Na dit avontuur was het tijd voor een verkwikkende, heerlijk deugddoende douche en nadat iedereen zich de douche had laten welgevallen en eens op het internet gesurft had was het alwéér tijd om onze innerlijke mens te gaan versterken. We trokken de stad in en na een tussenstop in een soort patisseriezaak vol taart en gebak (die werd afgekeurd omdat de meesten toch wel zin hadden in iets ‘deftiger’ eten), kwamen we terecht in een donkere Irish Pub. We hadden geen betere keuze kunnen maken! We kregen een gezellige tafel aan het raam toegewezen en met mes en vork zaten we klaar om in de aanval te gaan. We voelden ons goden op aarde! Eindelijk nog eens heerlijk eten dat ge niet zelf hebt klaargemaakt en zonder dat ge daarna nog een berg afwas moet verzetten. Niet te doen, het was geweldig! Ik zou er nog uren lyrisch over door kunnen gaan, maar aangezien de meeste mensen dit waarschijnlijk dagelijks ter beschikking hebben vrees ik dat niemand het zou begrijpen en dus hou ik (wijselijk) mijn mond maar. Terwijl we daar zaten passeerde er een gast met een hakenkruis op de achterkant van zijn vest en Nele wees er ons op (letterlijk en figuurlijk), maar helaas wees die vinger eerder naar een andere jongen (eerder ghetto-style) die hier helemaal niet mee kon lachen en bijgevolg vrij woedend zijn middelvinger op stak naar ons. Gelukkig wandelden ze verder, maar een tijdje later kwamen de jongen en zijn kompaan terug en ze vonden er niet beter op om op het pleintje hun gevechtstechnieken in te trainen. Ja, wij kregen daar toch een beetje schrik en begonnen al plannen in ware James Bond stijl te smeden waarbij de woorden ‘achteruitgang’ en ‘via de keuken’ meermaals vielen. Het liep met een sisser af, want uiteindelijk verdwenen de jongens weer en geraakten we terug veilig in het Guesthouse.

Daar pakten we nog wat spullen in, babbelden nog wat (over spataders en dergelijke, u kent dat wel, gewoon een ordinaire conversatie) en vielen uiteindelijk in slaap. We hebben het niet te lang getrokken, want maandagmorgen werden we fris en monter verwacht om aan onze trip door het platteland van Mongolië te beginnen.

Op het programma:

  • maandag naar de oude hoofdstad, tempel daar bezoeken

  • dinsdag op weg naar het Great White Lake, waar we twee dagen zouden blijven, middagstop in het laatste echte stadje (met elektriciteit, jawel!)

  • woensdag ginds dus een dagje doorbrengen, waarschijnlijk paardrijden voor de liefhebbers

  • donderdag op weg naar de mini-Gobi, waar we volgens Bobby foto’s zouden kunnen maken waardoor iedereen zou denken dat we in de echte Gobi geweest waren

  • vrijdag terug naar Ulan Bator en dan ’s avonds daar de trein nemen om 21.10u om terug naar Irkutsk te gaan…

Jaja, we hadden duidelijk geen idee wat ons te wachten stond. Ahum. Een greep uit het aanbod. Kameelrijden, een mysterieus Mongools virus dat vijf van de zes man velde, slapen in tenten, Mongools eten, een bevroren meer, Mongools keelgezang und so weiter (niet per se in die volgorde). Maar dat, beste mensen is voor een andere keer! Dus nu: oogjes dicht en snaveltjes toe…

P.S.: Als u zich zou afvragen hoe het ons ondertussen terug in Irkutsk vergaat… Van zondag op maandag is er een hele pak sneeuw gevallen, die er nog altijd ligt en ik ben de goden dankbaar voor mijn bergschoenen want ze zijn warm én ik heb redelijk wat grip op de sneeuw, terwijl de Russinnen hier nog steeds op hun dooie gemak rondwandelen door de sneeuw op hun ijzingwekkende hakken. Ge zult daarvoor wel Russisch moeten zijn denk ik. Deze morgen (dinsdag) was het hier -9, in de namiddag alweer drie graden boven nul, waardoor de sneeuw nu toch een beetje begint weg te smelten (ik vermoed dat er een centimeter of zeven lag, maar ik heb er mijn meetlat niet bijgenomen). Verder hadden we gisteren wel een heel goed excuus om ons opstelletje voor Russische Literatuur niet te kunnen afwerken, zijnde het feit dat er gewoon geen elektriciteit en dus bijgevolg ook geen licht was in de dorm. Wij kwamen thuis van de les rond 17.30 en toen was het al net te donker om nog goed te kunnen zien wat ge aan het schrijven waard. Gelukkig was er in de keuken wel elektriciteit (maar geen licht), waardoor er mits wat improvisatie (een hoofdlampje, dat later vervangen werd door een bureaulamp) toch gekookt kon worden. Nu is er nog steeds geen elektriciteit in de kamers en de gangen, enkel in de keuken (maar dus geen licht), maar dat zou ‘na de middag’ (het is nu 15.45) gefikst moeten zijn. U ziet dat ‘na de middag’ een rekbaar begrip is in Rusland en ik vrees dat we nog tot morgen zullen mogen wachten. Goed, dat wordt dan douchen in het donker straks, dat is ook een ervaring!

Een krabbeltje vanuit … Mongolië!

Ja, exclusief een bericht vanuit Ulan-Baator, ofte Ulan-Batar, ofte UB (for the cool people), ofte de hoofdstad van Mongolie. Na een avond, een nacht, een dag en nog een korte nacht zijn we deze morgen rond 6.15u gearriveerd. Het hostel is heel leuk, we slapen met z’n zessen in een grote kamer (stapelbedden! waar is de tijd!), er is internet, er is koffie, er is thee en het is er warm! O en de trein was geweldig, we waren omringd door Aussies en Britten en een koppel Mongolen en dat leverde interessante omstandigheden, alsook lichte communicatieproblemen op (wat voor een taaltje is dat nu ook, dat Birminghams en dat Australisch Engels!).

Zodadelijk gaan we de stad verder verkennen want voorlopig hebben we enkel banken `bekeken` en Mongoolse fastfood gegeten – wat overigens erg lekker is en alles bij elkaar zo`n 2 euro heeft gekost. Morgen hopen we te kunnen vertrekken voor een vijfdaagse trip naar het platteland. We gaan een kloof en een meer bekijken (vraag me niet meer naar de namen), een zandduin die ‘mini-Gobi’ wordt genoemd (we hebben helaas niet genoeg tijd om de echte Gobi-woestijn te gaan bezoeken), slapen in een Mongoolse tent, eten bij Mongoolse families en rijden op de fameuze `tiny little horses`! Dat gaat weer spannende verhalen opleveren, ik voel het aan mijn tenen!

Tot over een weekje (zondag waarschijnlijk), voor meer nieuws!

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.