Waar waren we gebleven… Maandagmorgen stonden we op, ontbeten, pakten in, betaalden voor onze trip en onze overnachting en we waren klaar om te vertrekken. Maar onze chauffeur was dat niet. Nu moet gezegd worden dat de brave man een goed excuus had, want de avond ervoor was al het ‘personeel’ van de hostel uitgenodigd geweest op het huwelijk van een van de andere chauffeurs. Uiteindelijk zijn we rond 10u ’s morgens vertrokken in plaats van om 8.30u. We reden een hele tijd door Ulan Bator (echt vlot ging het verkeer niet, dat is echt overal in de wereld hetzelfde precies) en na een stop aan een winkel, waar Heleen en ik een hoop batterijen kochten die uiteindelijk toch niet bleken te werken, en waar we noedels, fruit en snoep insloegen omdat Bobby ons dit had aangeraden (“jullie zullen waarschijnlijk zowat elke dag hetzelfde eten krijgen”) en een tweede stop aan een tankstation gingen we op weg. De tankprocedure was wel lichtelijk anders dan ik gewend ben: op een gegeven moment begon onze chauffeur, een zeer aimabel man overigens, ons kakigroene Russische busje heen en weer te bewegen (let wel, wij zaten er nog in!) en hop, van links naar rechts, waarop wij besloten hem wat te helpen en we allemaal als gekken heen en weer begonnen te wiegen. Dit scheen onze chauffeur zeer te appreciëren en hij schonk ons een grote glimlach.
Na het vervullen van deze taken gingen we op weg. We reden de stad uit en al gauw bevonden we ons midden in de Mongoolse steppes. Hier en daar lag nog wat sneeuw, verder waren er bergen in de verte en vooral steppe. Af en toe passeerden we een gehuchtje (een hoop huizen en Mongoolse tenten (de zogenaamde ger) langs de kant van de weg) of zagen we een soort Boeddhistisch (vermoed ik, onze gids sprak maar enkele woorden Engels, dus hij kon het ons niet vertellen – of wij konden hem in de eerste plaats toch onze vragen niet duidelijk maken) tempeltje en verder kwamen we veel kuddes koeien, geiten en schapen, allen gehuld in een dikke pels (’t waren echte knuffelbeesten!).
Op een gegeven moment zagen we in de verte een soort stofwolk en een hele hoop geiten en enkele kamelen (kamelen!) die gehoed werden door twee Mongoolse mannen te paard. Het was echt wel een heel spektakel om te zien; die mannen die met hun paarden om de kudde heen zwierven en alle dieren die rondliepen en de kamelen (een stuk of drie) die daar op hun dooie gemak op een dor grassprietje kauwend tussenliepen.
Het is echt vreemd hoe groot het contrast was tussen Ulan Bator en het platteland is. Ulan Bator is niet zo heel groot, maar doet heel modern en eigentijds aan. Dan heb je het platteland, waar er nog heel veel tenten staan (gers – en ze zijn dus niet speciaals opgezet voor toeristen) en je nog heel veel mensen ziet die te paard hun kudde beesten hoeden. Heel veel mensen hebben ook nog een soort traditionele kledij aan, bestaande uit een grijs of bruin ‘kleed’ (à la paterken) met een gele, oranjeachtige band over. In Ulan Bator liepen er ook mensen zo rond, maar toch aanzienlijk minder dan op het platteland.
Ik weet niet wie, maar iemand merkte juist op dat de wegen er in Mongolië geweldig bijlagen en véél beter waren dan in Rusland en ja, als ge van den duivel spreekt… Een dikke tien minuten later hield de schone asfaltweg op en bevonden we ons op een zandwegel. Voor de rest van de dag en voor het grootste deel van onze trip. Nu zijn er meerdere wegels, volgens mij gewoon gevormd door het aantal keer dat er is over gereden en onze chauffeur vond het fijn om af en toe eens van pad te veranderen en vooral om met hoge snelheid door de bochtjes te razen. Wij werden door elkaar gerammeld en we voelden ons al redelijk haring-in-een-ton-achtig, maar wij amuseerden ons. De chauffeur had een cd van Boney M opstaan en de sfeer was zeer goed! Later zette hij Mongoolse muziek op, wat iets minder was, maar op een manier paste het wel bij het landschap en we voelden ons allen (naast haring) zeer Mongools.
Tegen 15u in de namiddag stopten we aan een soort wegrestaurant (dat gaat zo; er is steppe en steppe en steppe en steppe en dan hebben ze daar ergens een huis of drie neergeplant, waarvan er een dus een wegrestaurant is. Ja, dan staat ge daar, god weet waar in Mongolië en de kaart is opgesteld in het Mongools. Nu kunnen we dat wel lezen, want Mongools wordt neergeschreven in het cyrillisch met om een of andere reden af en toe een Griekse theta (als ik het me goed herinner van in het tweede jaar…) ertussen, maar begrijpen dat is iets anders. Het enige wat verstaanbaar was (naast de frisdranken) was goulash en onze mannen (Nick en Jeremy) kozen daar voor. Mij leek dit wat riskant, dus ik wees gewoon op iets wat andere mensen aan het eten waren en wat leek op noedels. Al snel kregen Jeremy en Nick hun maaltijd, die er werkelijk overheerlijk uitzag. Iets later kregen wij ons potje noedels. Het zag er nog redelijk uit en het was ook min of meer redelijk, maar ook niet meer dan dat. Het gerecht, wat waarschijnlijk een of zelfs hét nationale gerecht van Mongolië is, aangezien we later in de gers bijna niks anders te eten kregen, bestond uit de volgende ingrediënten: een waterige soep waarin dikke, maar lekkere noedelslierten dreven, omringd door vermoedelijk stukjes schapenvlees en stukjes vet. U heeft dat goed gelezen ja, puur vet, wit (tricky want zo soms moeilijk te onderscheiden van een bleekgele, beige noedelsliert!) en smeuïg. Die laatste twee ingrediënten zorgden ervoor dat het gerecht ook niet meer dan redelijk bevonden werd. Na het eten vroegen we onze sympathieke chauffeur de sleutel van de auto omdat we nood hadden aan een plaspauze en het toiletpapier nog in de auto was. Nadat elk van ons (vier) elk van de sloten (drie) met elk van de sleutels (twee) had geprobeerd en geen van ons de auto open kreeg kwam de chauffeur (die waarschijnlijk alles door het raam had gezien en eens goed had gelachen denk ik) naar buiten en opende de deur met één draai van zijn sleutel. Vervolgens konden we eindelijk gebruik maken van het toilet, zoals steeds en zoals te verwachten viel het ondertussen al bekende ‘gat in de grond met kot/hout er rond’- wc (neem het advies aan van een kenner van dit soort toiletgelegenheden: let op de windrichting!) en hierna vertrokken we weer.
Onderweg stopten we enkele keren omdat de mannen, zwakke wezens als ze zijn, hun blaas moesten ledigen, maar verder reden we en reden we en reden we. Tegen de avond was er weer zo’n een stop en aangezien we allemaal erg uitgelaten waren (het landschap was schitterend, overweldigend, de zon zou weldra ondergaan en hey, wij bevonden ons zo maar eventjes allemaal samen in een kakigroen busje gevuld met eten en chocolade in Mongolië dat werd bestuurd door een Mongool met een spleetje tussen zijn tanden, die net een cd vol Westerse muziek including ‘Dragosta din Tei’ had opgezet en wat heeft een mens nog meer nodig dan dat?) begonnen we spring-in-de-lucht-foto’s te maken. Onder andere in het midden op de weg. Voor onze auto stond er een hoopje Mongolen verzameld rondom een blauwe pick-up en met veel verbazing keken zei dit spektakel aan.
Nadat we onze energie wat kwijtgeraakt waren en een massa foto’s hadden genomen gingen we weer terug richting busje. Daar sprak een der Mongolen ons aan; “Camel?”. Wel, ja waarom niet, wij waren nog steeds dolenthousiast en riepen van “yes, yes!”. De Mongool zei dat we hen moesten volgen en ons busje reed achter hun pick-up aan. Een eindje verder sloegen we van de weg af (het was weer asfalt geworden) en niet ver van de weg af stond er een Mongoolse tent, waar die familie blijkbaar woonde en naast de tent stond een kameel, die door Heleen tot Edward gedoopt werd. Ha en toen heb ik dus kameel gereden!
Dat zit echt verbazingwekkend comfortabel zo’n kameel, zo tussen die twee bulten. Alleen het ‘opstijgen’ en het ‘landen’ was een beetje vreemd. Zo’n beest dat door zijn poten zakt, het geeft het gevoel van op een glijbaan te zitten. Iedereen maakte een ritje en we gaven die mensen er dan maar 1000 tukrik voor (wat eigenlijk een fortuin is voor hen, maar goed). Ondertussen was ook de zon ondergegaan en het was een magische zonsondergang geweest. Stel u voor, in Mongolië, in de steppe, aan een Mongoolse tent, op een kameel de zon zien ondergaan…
Hierna reden we nog enkele uren door en tegen acht uur bereikten onze overnachtingplaats. We installeerden ons in de ger, die wel voor ons gemaakt leek, want er pasten net zes bedden in, en we warmden ons aan het kacheltje in het midden van de tent. Het is verbazingwekkend hoe groot zo’n tent vanbinnen eigenlijk is, want van de buitenkant lijkt zo’n tent niet heel groot. Er stonden zes bedden in de rondte, een kacheltje, een doos vol hout, een klein tafeltje en zes kleine stoeltjes op kleuterformaat. Niet lang na onze arrivé in de tent kwam de gastvrouw zeggen dat ze eten voor ons zou maken en of we geïnteresseerd waren in een privéconcert van haar buurman, die Mongoolse instrumenten bespeelde en de edele discipline van het keelzingen uitoefende.
Tijdens het eten, heel lekkere ravioli/pelmeni-achtige (’t is maar hoe ge het wilt noemen) pasta gevuld met groentjes besloten we te gaan voor den keelzanger (bizar: Word rekent ‘keelzingen’ fout aan, maar ‘keelzanger’ bestaat dan weer wel… gewoon te uwer informatie). Na het eten kwam Mijnheer de keelzanger langs. Hij was gekleed in iets wat tot traditionele kledij kan gerekend worden en had een heleboel instrumenten mee. Hij speelde op een soort gitaar, dan op een tja, hoe noemt ge zoiets… Een soort gitaarachtig instrument met twee snaren op, dat ge met een strijkstok bespeelt, een harp en een fluit. De liedjes gingen voornamelijk over paarden en over Dzjinghis Khan. De man sprak zeer goed Engels en kon daardoor veel uitleg geven en zo ging hij een lied zingen waar hij vier soorten keelzingen in ging te berde brengen. Impressionant, maar vraag me niet naar het verschil tussen de vier soorten! Hij speelde schoon en zong schoon en het was een schoon einde van de avond.
Maar nog niet helemaal! Er volgde nog een gesprek over middelbare scholen in België (ja elke avond was er een ander thema) en ja, we (hm, maar toch vooral Nele geloof ik) choqueerden onze jongens nogal door over al de bizarre en excentrieke leerkrachten die we door de jaren heen gehad hadden te vertellen. Achja, ze vinden België sowieso al zeer fascinerend, enkele vreemde leerkrachten toevoegen aan hun beeld over België, niks mis mee toch? Na al deze boeiende verhalen kropen we in ons beddeken en vielen in een diep slaap.
(dinsdag)
Dinsdagmorgen deden we dat we elke dinsdagmorgen doen. Opstaan. Ontbijten. Er was brood. Er was confituur. Er was pindakaas. Wat een golf van vreugde door de tent joeg. Vreugde en contentheid die vooral bij Jeremy te vinden was. Ik begrijp nog steeds niet wat er zo geweldig is aan pindakaas, maar het moet iets wreed zijn!
Na dit fantastische ontbijt waren we klaar om de road te hitten (tiens, ‘hitten’ is ook een bestaand woord volgens Word… meervoud van ‘hitte’? Andere vorm van ‘verhitten’? Fascinerend. ’t Is maar dat u het weet). Maar voor we dit konden doen bezochten we nog een tempel. We bevonden ons namelijk in de oude hoofdstad van Mongolië (Khorkarin), een kruispunt van culturen. Stel u niet te veel voor bij het woord hoofdstad, dit was gewoon een kleine stad.
Eenmaal het tempelcomplex binnen kregen we een gids en konden we aan de rondleiding beginnen. De gids sprak Engels, maar niet echt zeer goed. Ze was zich hier zelf ook van bewust en verontschuldigde zich meermaals met de woorden “sorry, I’m a student”. Om een idee te krijgen hoe het met haar Engels gesteld was, een voorbeeld. Jeremy stelt vraag, bijvoorbeeld “So is this the original stone or is it a replica?” waarop onze gids: “Okay.” Dit gebeurde meermaals (Jeremy bleef proberen) en het werd moeilijk om niet te lachen. De tempels zelf waren wel erg de moeite waard, ze waren zeer mooi. De buitenkant leek een mengeling van Chinese en Mongoolse stijl en binnenin waren er heel veel kleuren en versieringen aangebracht. Het was jammer dat de gids geen beter Engels sprak want ik weet niet zo heel veel van boeddhisme af en de betekenis van sommige dingen of beelden ontging me volledig. De tempels zijn UNESCO werelderfgoed en enkele jaren geleden zijn ze allemaal gerestaureerd geweest en dus was het echt wel de moeite waard om eens te bekijken. Na de rondleiding mochten we zelf rondlopen op het domein. In het begin was ons verteld dat we voor foto’s moesten bij waren, maar slinks en sluw als we zijn grepen we toen natuurlijk onze kans. Na nog wat rondgelopen te hebben kwamen we als vanzelf en als steeds uit bij de souvenirafdeling, alwaar Jeremy interesse toonde in een soortement schilderij op een soortement perkament (er is vast een naam voor). Tja, dat had hij in een bepaald opzicht misschien beter niet gedaan. Het afbiedspel begon en het eindigde ermee dat Jeremy wegliep en zei dat hij niet genoeg geld was. De dame liet haar Westerse vis natuurlijk niet zo snel gaan en bleef hem achtervolgen met haar rekenmachine (werkelijk nooit gedacht hoe handig rekenmachines in internationale conversaties kunnen zijn! Waarom zou iedereen zijn nek breken en moeite doen om ‘de getallen’ te leren in een andere taal als ge ’t kunt intypen op een rekenmachine!), waarbij ze hem sommeerde om de som die hij wilde te betalen in te tikken, waarop hij dit deed, waarop zij een hoger getal invoerde en zei dat lager gaan niet kon, waarop Jeremy zei dat hij niet akkoord ging, waarop zei weer Jeremy’s getal indrukte en hem vroeg om iets, zelfs maar een kleine beetje hoger te gaan, waarop hij dit deed enzovoorts en zo verder, de cirkel was zeer vicieus, de dame zeer vasthoudend.
Uiteindelijk hadden we het wel gezien daar in de tempels en aan de souvenirventers (we kochten niks aangezien de bankautomaat de volgende stop was en we anders misschien geen geld meer zouden hebben, als dat niet verstandig én economisch is?!) en we besloten terug te keren naar het busje. De souvenirmadam (óók al een bestaand woord volgens Word’, ik zeg het u, zeer fascinerend dit programma…) bleef Jeremy maar achtervolgen met haar perkament en haar rekenmachine, maar uiteindelijk droop ze af. Om na een minuut of vijf toch weer terug te komen en uiteindelijk toe te geven aan de prijs die Jeremy wilde betalen. Die jongen heeft daar een koopje gedaan! Zijn dag was goed!
Zoals ik al zei was de volgende stop de bankautomaat en nadat onze geldvoorraad weer was aangevuld gingen we de weg op, op naar het Great White Lake. We reden en reden en reden weer. Het landschap veranderde wel wat en werd meer bergachtig. Na de middagstop, in het laatste echte stadje, in een bakery/guesthouse waar ze heerlijk eten (lasagne!) serveerden aan nog heerlijker prijzen reden we zelfs echt de bergen in. Op een asfaltweg. Voor even. Hierna werden het weer zandwegels. Voor heel lang.
We reden, reden en reden weer eens. De Mongoolse muziek werd weer afgewisseld met de Westerse muziekcassettes. Geen idee hoe onze chauffeur de weg vond, want een echte weg was er niet, maar mijn vermoeden is dat hij zo ongeveer parallel met de elektriciteitspalen reed.
Uiteindelijk namen we nog een liftster mee, een vrouw met een baby, waardoor de plaats op de achterbank nog krapper werd en het zo mogelijk nog warmer werd. Er was in dat busje namelijk een chauffage, die zich achter de passagiersstoel en dus naast Hanne haar stoel bevond. Bovendien zaten wij ook nog eens naast de motor, die steeds zeer warm werd (af en toe stopten we om hem te laten afkoelen), dus het was echt bakken daar in dat busje!
Tegen een uur of negen ’s avonds kwamen we aan bij onze tent aan het Great White Lake, dat op dat moment nergens te zien was. Het was warm in de tent, we kregen eten (weer de noedel-schapenvleescombinatie) e ja, dan was het weer eens tijd om naar het toilet te gaan. Nu bevond dit toilet zich op zo’n dikke 200 meter van de tent. Nu blies daar een verschrikkelijk ijzige wind aan dat meer, en nu lag er daar ook al een redelijke laag sneeuw. U begrijpt, dit alles was niet erg aangenaam.
Uiteindelijk gingen we slapen na een gesprek over besmettelijke ziektes. Het was een rustige nacht, warm dankzij de slaapzakken van het Amerikaanse leger die we hadden meegekregen van het Guesthouse (dankuwel Amerika).
(woensdag)
De volgende morgen gingen we na ons ontbijt, bestaande uit droge sneden brood, die ik dan maar roosterde op de haard, wat ze iets beter maakte maar nog steeds niet echt lekker (anderen waagden zich aan een potje noedels, maar dat ging me er nu net over om dit als ontbijt te eten), wandelen langs het meer. En op het meer! Het landschap was fabuleus prachtig, bergen bedekt met wat sneeuw, het meer dat voor de helft al bevroren was, waar ook sneeuw op lag, de kuddes met yaks, de Mongool die passeerde op zijn paard… We konden zelfs op het meer wandelen en ‘schaatsen’, zo hard was het ijs. Nick amuseerde zich door ijsblokken op het meer te gooien en te zien hoe ver ze weggleden en wij ondernamen pogingen om tot aan een rots in de verte te lopen. Ik dacht ook nog eens op het ijs te gaan staan, waarna ik onderuit gleed en zeehondsgewijs op mijn buik achteruit gleed. Pijn? Neen, wel hilarisch grappig.
Uiteindelijk beklommen we de rots, vanwaar we een schitterend uitzicht hadden; voor ons het deel van het meer dat nog niet bevroren was en dat zachtjes kabbelde, zoals de zee en achter ons het grote bevroren meer omringd door bergen en links van ons de steppes en andere bergen. Hierna wandelden we terug naar onze tent. Het was vrij koud, maar we waren dik aangekleed (thermisch) en het was doenbaar.
In de tent kregen we middageten, ditmaal rijdt met schapenvlees en wat soepachtige substantie. Na het middageten was het tijd voor het hoogtepunt van de reis waar we al dagen over bezig waren: de tiny little horses! Al zo’n week lang kwam er niet veel meer uit Jeremy dan “tiny little horses” en nu was het eindelijk zo ver: we gingen er op rijden!
De paarden stonden buiten al klaar in de kou. Ze waren inderdaad klein, stevig gebouwd en zeer fluffy, precies zoals ik me een Mongools paard had voorgesteld. We kozen ons er elk eentje uit en we vertrokken. Ja, ik had al meteen door dat mijn knollebeest niet van de snelste was en dat er niet echt veel fut en vooruitgang in te krijgen was. Desalniettemin was het een hele fijne tocht en het is ongetwijfeld het mooiste landschap geweest waar ik ooit al in heb paardgereden. Het beest was echter niet vooruit te branden…
Na een eindje rijden stopten we ergens, waar we de paarden gewoon lieten staan en onze Mongoolse gids, die te voet achter ons aan was gelopen (dit geeft al aan met wat voor een snelheid die dieren zich voorbewogen) en geen woord Engels sprak, bracht ons naar een hele grote, diepe put ergens in de grond. Aangezien hij geen Engels sprak heb ik geen idee wat dit geweest kan zijn. Beneden in de put zaten er een soort witte hermelijnen die tussen de rotsen kropen. Overal rond de put stonden er ook in winterpels gestoken yaks te grazen.
Na deze stop gingen we weer verder. Ik zat rustig op mijn rustige paardje, te genieten van het landschap en opeens komt Jeremy daar toch wel niet naast mij rijden zeker. Zit er dan toch wel geen kleine Mongool (aka onze gids) achterop bij hem zeker. Heeft die jongen dan toch zijn droom kunnen verwezenlijken… Zijn dqg was wederom goed! Verder ga ik hier niet over uitweiden, maar de mens was zeer content. Ik ook trouwens, want de Mongool gaf mij een tak en gebaarde dat ik het paard daarmee moest aansporen. Na enige tijd gingen we dan ook zelfs in draf, jochei! Galop is er nooit echt van gekomen, maar ik was allang blij als dat beest eens iets anders deed dan gewoonweg voort te sjokken. We reden nog een eindje verder, waarna we weer een stop maakten en daar een grot ontwaarden, met water erin dat bevroren was en waar we dus op kon de lopen. Heel erg chique en iedereen had er spijt van dat niemand zijn fototoestel meegenomen had, maar achja, het zit in onze gedachten opgeslagen zullen we maar zeggen. We reden echt nog een hele tijd door het mooiste landschap ooit, voelden ons zowaar nazaten van Dzjinghis Khan (alhoewel, ik vermoed dat die mannen toch wel op impressionantere paarden reden… En anders toch wel dubbel respect dat ze met zulke beesten zowat de helft van de wereld veroverd hebben hoor!) en een na een hele tijd waren we aan onze laatste stop aangekomen. De vulkaankrater. Geen idee of hij nog actief was van tijd tot tijd, maar ik denk het niet. Het was een hele klim naar boven, maar het was zeker de moeite waard. Het was wel goed dat we zo’n eind moesten klimmen eigenlijk, want van zo zomaar op dat paardje te zitten krijgt ge het nu ook niet bijster warm. Na deze laatste stop was het tijd omweer terug tentwaarts te keren. We namen een andere weg terug en we moesten een heuvel afdalen om weer aan de tent te geraken. Dit was werkelijk het fijnste moment van heel de rit, want mijn paardje ging zowaar, eureka eventjes in galop! Het leek wel een idyllische filmscène, de ruiters die terugkeerden van hun tocht en de heuvel afdalen…
Pas toen we de tent binnengingen, waar het lekker warm was, want het stoveken had de hele namiddag gewerkt, beseften we hoe koud we het hadden. We begonnen ons op te warmen en in afwachting van het avondeten warmden we alvast een potje noedels op. Een tijdje later werd ons echte avondeten geserveerd en ho, het was beter dan de avond en de middag ervoor. ’t Was weer rijst met schapenvlees, maar het dreef tenminste niet allemaal rond in een soort soep. Mjamiemjamie. Na alweer een uiterst boeiend gesprek, dat niet zo lang doorging als anders, we waren tenslotte allemaal nogal vermoeid van het paardrijden, gingen we weer gaan slapen.
(donderdag)
’s Nachts werd ik plots wakker omdat ik lawaai hoorde. Bleek dat Nele op was en dat ze heel erg ziek was (ik zal het schoon omschrijven als ‘last van de maag’). Ja, nu ze dat zo zei, mijn maag lag precies ook een beetje overhoop. Maar ik ben toch terug in slaap gevallen.
De volgende morgen was Nele nog steeds niet veel beter en ik en Hanne voelden ons ook niet tiptop. We pakten onze spullen bij elkaar en het was tijd om te vertrekken. Bleek dat onze gids van de dag ervoor ook meereed met ons tot aan de volgende stad. Weer proppen op de achterbank dus, weer gezellig warm. Nadat we aan dit dorp waren aangekomen wisselden Nele en Nick van plaats zodat Nele nu vooraan zat want ze voelde zich echt niet goed. Wat wilt ge ook, al ziek zijn en dan op die verschrikkelijke wegen vol putten en kronkels en ijs die eigenlijk geen wegen zijn, rijden!
We reden verder en ook ik werd steeds zieker. Toen we stopten aan de canyon om deze van dichterbij te bekijken en te fotograferen besloot ik het er op te wagen en één van Heleens magische Poolse pilletjes te nemen. Het ging al beter hierna, maar niet voor lang.
’s Middags stopten we weer in dezelfde bakery/guesthouse als twee dagen geleden. Zo’n zonde dat ik ziek was dus. Nele, Hanne en ik besloten het aloude beproefde Belgische recept van platte cola voor de zieke maag toe te passen en de rest voelde zich nog steeds perfect in orde, dus zij aten gewoon rustig op het gemakske een hamburger of een lasagnaatje. Wij kwamen daar dus binnen en vroegen gewoon om een cola, waarop de serveerster het al een beetje vreemd vond dat we geen eten wilden. Hierna vroegen we haar ook nog alle drie om een koffielepeltje waarop ze ons natuurlijk nog vreemder vond. Uiteindelijk bleek de combinatie platte cola en een sneetje brood toch niet echt wonderbaarlijk te zijn. Laten we zeggen dat het er weer uit kwam.
Er zat helaas niets anders op dan weer de auto in te kruipen. We stopten nog aan een winkel, waar Hanne en ik welgeteld drie seconden binnen waren, waarna we weer naar buiten moesten omdat we het gewoon niet aankonden. Amai zeg, zo ziek ben ik van mijn leven nog niet veel geweest. Ik die al bijna nooit echt ziek word, laat staan aan mijn maag en daar in Mongolië, buiten het bereik van wat voor dokter dan ook, gebeurt dat natuurlijk weeral. Onze buschauffeur had het wel een beetje door en sloeg er in om dikwijls net op het goede moment te stoppen. Gevoel voor timing had hij wel. Na de middag werd ook Heleen ziek, u gelooft het of niet. In het guesthouse waar we gegeten hadden vertelde een Duitse vrouw die in Mongolië woonde ons dat zij drie weken geleden ook heel erg ziek was geweest (zelfde symptomen) en al haar buitenlandse vrienden had besmet. Uiteindelijk hebben wij dan maar geconcludeerd dat er in Mongolië een zeer mysterieus virus rondwaart dat zich richt op buitenlanders en dan met name degenen die nog nooit eerder in Mongolië waren. Want Nick, die al eens in Mongolië was geweest, had nergens last van. Jaja, geloof het of niet, maar tegen dat we ’s avond (ein-de-lijk!) aankwamen in de mini-Gobi woestijn was ook Jeremy getroffen. Hij sprong de auto uit en liet zich meteen gaan. Ik ga u de details besparen, maar de honden hebben goed gegeten die avond (sorry voor al degenen die dachten mijn blog eens rustig tijden hun eten te lezen…).
Ja, het was de hel van Charlepoegne, dat verzeker ik u! We hebben die hele verdere avond niks meer gegeten en ik heb ook niks meer gedronken. Nick was de enige die wilde eten en het was zeer moeilijk om dit aan de Mongolen uit te leggen: ze kwamen toch nog met vijf porties noedels en schapenvlees mengsel aandraven; Nick heeft zijn best gedaan en er dan maar drie van op gegeten, met veel smaak. Ho man, dat was dus werkelijk een kwelling voor mijn oren om die jongen te horen eten alleen al… Mijn maag werd wederom sterk op de proef gesteld. Ik ben dan maar snel gaan slapen, net zoals iedereen, behalve Nick, de gelukzak. Hij scheen het ook nog fijn te vinden om ons een beetje te pesten met onze toestand, achja zo is hij dan ook weer.
(vrijdag)
Vrijdagmorgen werd ik wakker en ik voelde me merkelijk beter. Ik waagde me zelfs aan enkele van de lekkere broodjes die we te eten kregen. Iedereen leek min of meer beter te zijn en goed geslapen te hebben. Alleen Heleen scheen nog wat last te hebben, maar dit beterde weer in de loop van de dag (’s avonds verslechterde het ook weer voor sommigen, maar dat leest u later dan wel).
We trokken nog wat woestijnfoto’s, pakten onze spullen in en vertrokken weer op weg naar Ulan Bator. ’s Middags stopten we om te eten, wat helaas geen groot succes was, zeker toen bleek dat er geen spaghetti bolognaise beschikbaar was. Ik hield het bij een blikje cola, Nick, Jeremy en de buschauffeur waren de enigen die echt aten. Ik wilde het voorzichtig aandoen, want we waren al heel de week bezig over hoe heerlijk het wel niet zou zijn om vrijdagavond nog eens in die geweldige Irish Pub te kunnen gaan eten…
Rond vier uur kwamen we weer aan in Ulan Bator, in zeer uitgelaten stemming. We hadden de chauffeur namelijk gewoon gevraagd of hij de dragosta din tei en shakira cd nog eens kon opzetten en dat had hij gedaan en de cd was net aan ronde twee bezig. Feestje in de bus dus! Na een stop aan de winkel om de mondvoorraad voor op de trein te kopen, reden we door naar UB Guesthouse. Daar mochten we nog een douche nemen, onze spullen in een kamer droppen, gebruik maken van het internet en de thee- en koffiefaciliteiten (als dat geen schone omschrijving voor wat neerkomt op een waterkoker, weet ik het ook niet meer hoor J!), top dus. Hanne en ik douchten ons beiden heel snel en vertrokken toen naar een souvenirwinkel om de nodige souvenirs in te slaan (nodig inderdaad, ons Mongools geld moest toch op?!). Uiteindelijk kocht ik een stuk of zeven souvenirs voor zo’n zeven euro, ik zeg het Mongolië is geweldig voor de ‘goedkoop’.
Nadat iedereen gedoucht geraakt was vetrokken we naar de Irish Pub. Heleen was helaas terug een beetje ziek, dus zij at niet, maar wij bestelden allemaal een heerlijk gerecht, waar we erg van genoten hebben. Ik kreeg mijn pesto-mozarella-kip hamburger met frietjes (het was zelfs nog lekkerder dan het klinkt!) maar half op, wat Jeremy zonde vond en hij overtuigde me om er toch nog een kwart van op te eten. Jeremy ging zelfs nog voor een cocktail, wat er zeer stijlvol uitzag. Het moge duidelijk zijn; wij waren weer helemaal gezond!
Na dit godenmaal gingen we terug naar UB Guesthouse om onze spullen op te halen. Alweer beladen als ezeltjes vertrokken we richting station. We namen weer een taxi, die Bobby voor ons regelde door wat met haar hand langs de weg te staan zwaaien. Ditmaal geen problemen en we werden netjes afgezet aan het station. Daar was het zeer druk en we zetten andermaal een rugzakkenfort op waar we allen rond gingen staan, terwijl twee mensen gingen uitzoeken waar we onze trein moesten nemen. Uiteindelijk arriveerde hij en niet lang daarna zaten we weer gezellig in onze warme coupé. Onze warme luxecoupé: veel schoner en moderner als de trein waarmee we gekomen waren (en dat voor de helft van de prijs van ons Russisch ticket!), het deed vliegtuigachtig aan zelfs. We hadden zelfs een televisiescherm, dat helaas nooit werkte, maar toch, het was er! En warm, zoals gewoonlijk. Ik zeg wel zoals gewoonlijk, maar slaaptreinleken als we waren wisten wij dit weer niet (dus dààrom had Nick een paar slippers aan zijn rugzak hangen!). Eén goede raad dus voor als u ooit van plan zou zijn in Rusland een lange afstandstrein te nemen: neem een zomeroutfit mee want de temperaturen op de trein zijn tropisch! (Wij hadden wel onze bikini mee, maar dat zou er nu net over gaan). We zaten wat in onze coupé, maar al gauw gingen we slapen, het was tenslotte al na 21 uur ’s avonds en in tegenstelling tot de vorige rit leken er weinig interessante mensen op de trein te zitten.
(zaterdag)
Niet bijzonder veel speciaal gebeurd. Ik at nog een portie noedels (ik ben ze grondig beu gezien nu), we babbelden wat en we spendeerden weer vele uurtjes aan de grens. Aangezien niemand zijn gewone kleren aandeed die dag, hebben we hem maar omgedoopt tot pyjamadag.
(zondag)
Zondagmorgen om 7.40 kwamen we weer aan in Irkutsk, waar het aanzienlijk kouder was dan in Mongolië. We namen de tram en al snel waren we weer terug in onze vertrouwde habitat, den obsjesjitie. De dames (conciërges) beneden begroetten ons supervriendelijk, amai wat een thuiskomst! Bleek dat ze goedgezind waren omdat we de dag voor vertrek onze bedden nog versleept hadden en we moesten een papier ondertekenen dat we een bed en een matras en een hoofdkussen en dergelijke ontvangen hadden. Ik vermoed dat er weer stempels aan te pas gingen komen, dat is namelijk nogal populair hier in Rusland.
Nadat we Paul en Mieke en Kristien (die laatste twee hadden we echt al lang niet meer gezien, aangezien zij twee weken naar Sint Petersburg waren geweest) even wakker hebben gemaakt hebben we ons dan maar terug geïnstalleerd in ons oude leventje en kamertje in de dorm.
’s Avonds heeft Paul dan voor iedereen gekookt, patatjes met kip in de oven, heel erg lekker en hebben we Thanksgiving gevierd. Bijgevolg hangt de hele muur naast de badkamerdeur nu vol met papieren vol dankbare woorden (dank u voor Rusland, dank u voor de vriendelijke Rus, dank u voor skype, dank u voor Russische meisjes (Nick en Paul), dank u voor country music, dank u voor tiny little horses enzovoorts en zo verder, er zijn er maar een paar zinnige bij). En dat was dan het definitieve einde van de Mongolië-periode… Het was schoon, het was fijn, het was geweldig, maar zoals aan alle mooie liedjes kwam ook hier weer een einde aan…