Gepost door: marielaureinrusland | 30 oktober 2008

Een spannend weekend weg naar Olchon!

Vorig weekend zijn Hanne, Heleen en ik op weekend gegaan naar Olchon, een eilandje in het Bajkalmeer. Om daar te geraken moesten we bustickets hebben en dus gingen Hanne en ik op dinsdag naar het busstation om eindelijk aan de gegeerde tickets te geraken (eindelijk, want we wilden al een hele tijd naar Olchon, maar op een of andere manier lukte het maar niet om een passend weekend te vinden). De opdracht leek heel eenvoudig: “Drie bustickets naar Olchon, alstublieft”.

Maar hela, hola, dat blijft hier natuurlijk wel Rusland en zo gemakkelijk ging het dus niet. Ahum, wat nu volgt zou ik me graag herinneren als ‘de strijd om te bustickets’. De dame aan het loket in het busstation maakte ons met niet zo veel woorden duidelijk dat naar Olchon gaan niet ging. Ze leek voor weinig rede vatbaar, dus toen zijn we het maar eens aan het ‘infoloket’ gaan vragen. Onderweg daar naar toe zagen we op een kaartje aan de muur dat dé stad op Olchon blijkbaar Choezjir is. De dame aan het infoloket vertelde ons dat naar Olchon gaan geen probleem was. Wij dus terug naar de dame aan het andere loket en gezien de altijd logische Russische logica  (bemerk de ironie in deze zin) bedachten we dat het wel eens zou kunnen dat we “drie bustickets naar Choezjir, alstublieft” zouden moeten zeggen, in plaats van “naar Olchon”. Zo gezegd, zo gedaan, maar we kregen weer nul op rekest. Het klonk zo: “Olchon, njelzja!” (vrij vertaald: Olchon, onmogelijk!). Tja, wat konden we dan nog doen. Nog eens gevraagd aan de mensen in de wachtzaal, niemand wist iets. Terug naar het infoloket, waar ons weer werd verzekerd dat we wel op OIchon konden geraken. Ten einde raad besloten we dan maar zelf onze buschauffeur te gaan zoeken en we gingen de koude terug in en we begonnen rond te vragen bij de buschauffeurs zelf. We hadden al ontdekt dat de bus naar Olchon van platform vijf zou vertrekken, maar daar was er geen bus te bespeuren. Uiteindelijk werden we door een vriendelijke Rus met een tof mutsken op doorverwezen naar een ander busstation, iets verder op in de straat. Daar aangekomen hadden we al door dat we daar helemaal niet moesten zijn, maar vragen kan nooit kwaad. De dame achter het loket daar (ja, er zijn veel loketten en nog meer dames in Rusland!) stuurde ons terug naar het gebouw waar we vandaan kwamen. U kent dat wel van dat kastje en die muur zeker…

Soit, om een lang verhaal kort te maken, op terugweg naar het andere gebouw deden we nog een klapken met iemand die later Aleksander bleek te heten (uitleg volgt) en zijn maat (beiden buschauffeurs), die lachten dat ze met ons wel voor een roebel of acht naar Olchon wilden rijden om dan daar het weekend met ons door te brengen. Nee, bedankt. Tussendoor pleegden we ook nog wat telefoontjes naar Olchon, maar ik ga u daar de details van besparen, anders wordt dit verhaal veel te lang! In het andere gebouw was er ondertussen een tweede loket opengegaan en we besloten daar eens te proberen. Geheel op zijn Russisch vroeg ik dan maar redelijk nors, geïrriteerd en onvriendelijk “of madame ons misschien kon uitleggen hoe we op Olchon konden geraken?” (als ik op het Russische woord voor ‘in godsnaam’ had kunnen komen, was het “hoe we in godsnaam op Olchon konden geraken?” geweest!).  De dame greep kordaat een stuk papier beet, waarop ze prompt het Bajkalmeer en een eilandje tekende. Met de balpen in de aanslag wees ze ons er op dat het toeristisch seizoen gedaan was en dat we dus enkel tot aan de rand van het meer konden geraken met een busje, waarna we zelf onze plan zouden moeten trekken en een boot zouden moeten regelen tot Olchon. Ok dan, dat konden ze ons niet van in het begin gezegd hebben hé? Goed, kom maar op met die tickets, wij moesten en zouden naar dat eiland! En zo kregen we dus uiteindelijk onze tickets. Maar we waren nog niet op Olchon…

Op vrijdag stonden Hanne en ik al vroeg gepakt en gezakt klaar voor de deur van de dorm. Het thermisch ondergoed was aangetrokken, de mutsen en handschoenen waren binnen handbereik, een rugzak vol eten deed onze ruggen afzien, maar wij waren er klaar voor! Heleen en haar Russische papa kwamen ons ophalen. Maar ze hadden file. Dus onze bestandheid tegen de koude (gezien de laagjes en het thermisch ondergoed) werd al meteen is goed getest in Irkutsk. Uiteindelijk raakten ze er toch door en werden we afgezet aan het busstation. Na enige tijd kwam het busje eraan en we nestelden ons op de achterbank. Met onze rugzakken. Met onze handschoenen en jassen aan (’t was iets van -8 buiten, dusja). Met Heleen haar twee zakken vol eten. Het was krap en we zaten erg gewrongen, zo zou de negativist zeggen. Het was knusjes en gezellig, zo zou de optimist zeggen. Ik zou zeggen dat het iets van beide was. Bovendien zat mijn oor zowat geplakt op de luidsprekers van de marsjroetka, waar vrolijke, maar vooral erg luide Russische (pop)muziek uitkwam. Dat beloofde. Gelukkig zette de chauffeur de luidsprekers vanachter in het busje af van zodra hij vertrok. En ja, we waren vertrokken. Na een kleine twee uur stopten we om iets te eten. Heleen had het lef om de wc’s (lees: een gat in de grond, omhuld door was bakstenen en hout) uit te testen, ik en Hanne waren al lang blij dat dat voor ons nog niet nodig was. Na deze stop kregen we wat meer plaats op de achterbank aangezien er mensen uitstapten. Goh, dat deed deugd! We waren zelfs in staat om op geïmproviseerde wijze te genieten van de gekookte patatjes die de Russische ouders van Heleen hadden klaargemaakt. En de sfeer zat er in hoor!

Uiteindelijk waande ik me terug in Namibië. Jaja, er is een gelijkenis! De steppe lijkt best wel op de savanne en er kwam ook een einde aan de asfaltwegen en het werd hotsen en botsen in de auto. Na een hoop omwegen om andere mensen op te halen kwamen we uiteindelijk aan bij het schip. De buschauffeur stopte en begon te roepen dat we snel moesten lopen en ons moesten haasten omdat de boot zou vertrekken. Dit deden we dan ook, wij zijn brave meisjes.

Eenmaal op de boot stonden we daar zeer toeristisch en dom rond te kijken. Even een situatieschets: wij waren de enige passagiers die te voet op de boot waren beland. Het was een soort overzetboot en de andere mensen zaten gezellig en vooral warm en uit de wind in hun auto’s. De wind waaide onvoorstelbaar hard, die mutsen schenen echt van onze hoofden te moeten en het water was erg wild, het leek wel de zee op een stormachtige dag. Daar stonden we dan. Westers als we zijn waren we al wat ‘bang’ omdat we geen tickets of niks hadden, maar we zijn in Rusland dus dit was geen probleem! De kapitein en zijn maatjes vroegen ons mee te komen in de stuurhut. Ja, allemaal goed en wel, maar het was daar dus vrij druk: de kapitein en zijn 5 makkers (wat hun precieze functie was buiten het vastmaken van touwen in de ‘haven’, geen idee… vermoedelijk waren het professionele vodkadrinkers) en wij dan nog eens.

Het probleem was dat de boot heel erg heen en weer schommelde en dat zowat alles in de cabine een functie had. Overal waren er knopjes, hendels en touwen. Uiteindelijk vonden we alle drie een plekje waar we min of meer stabiel stonden en waar we ons konden vasthouden. De mannen begonnen wat met ons te praten en uiteindelijk volgde de onvermijdelijke vraag of we soms niet wat vodka wilden hebben. We zeiden beleefd nee, alhoewel Hanne opmerkte dat we door het drinken van wat vodka wellicht beter bestand zouden zijn tegen het ‘waggelen van de boot’. Hierna begon – laten we hem – Pjotr – noemen – zijn makkers, die duidelijk al genoeg vodka hadden gedronken die dag, aan te sporen om ons toch een klein glaasje in te schenken, wat deze dan toch gelukkig weigerden. Plots ging er een alarm af. De mannen begonnen te lachen en te zeggen dat er brand was. Wat bleek? Vermoedelijk Heleen had ergens fout tegen geleund en zo had ze dus het brandalarm doen afgaan. Het eiland kwam steeds dichter (het was vlakbij) en de mannen vroegen wat onze plannen waren eenmaal we daar aankwamen. Tja, aangezien er geen bussen meer waren die rechtstreeks van Irkutsk naar Choezjir reden (including boot!) was er niet echt een plan. Hopen dat er bussen reden op het eiland, dat was het plan. Maar goed, de mannen boden ons aan (hm, ‘boden ons aan’ klinkt wel heel beleefd en formeel in deze context… het was meer dat ze ons wilden overtuigen om mee te gaan) om mee met hen in de banja te gaan zitten en, alweer vrij vertaald, ‘lekker te stomen’. Nogmaals, nee bedankt.

Toen we van de boot en op het eiland waren bleken er nergens busjes te bespeuren. Niet getreurd, in blijf het tot in den treure herhalen, dit is Rusland en hier is veel mogelijk (er is waarschijnlijk minstens evenveel niet mogelijk, of minstens evenveel waarvoor ge 100-den stempels nodig hebt, maar goed). We ondernamen een liftpoging bij de aurto’s die van de boot reden en uiteindelijk mochten we meerijden in een bordeaux Lada, samen met een jong koppel dat op Olchon woonde. Chance, want er waren niet erg veel auto’s die van de boot reden. Daar zaten we dan weer alle drie gezellige samen op de achterbank van de mini-Lada en Hanne en Heleen zaten zowat met hun hoofd tegen het plafond en bij elke put of hobbel in de weg (ook hier geen asfalt, maar zand/aardewegen) vlogen we omhoog. Na een van de ergste putten die er getrotseerd werd glimlachte onze chaufeeur verontschuldigend terwijl hij de ontsterfelijke woorden “Russian dorogi” (Russische wegen!) uitsprak. Het was knus, het was gezellig en deze mensen zetten ons aan de deur af bij Nikita’s Homestead, onze uitvalsbasis a.k.a. verblijfplaats op Olchon.

Daar aangekomen werden we meteen verwelkomd en kregen we onze kamer. Nadat we ons daar net waren beginnen te installeren kwam de dame van de receptie vragen of we soms een andere, warmere kamer wilden. We mochten eens gaan kijken, en waaw, dit was echt wel een mooiere, betere, warmere en vooral grotere kamer. De knoop was dus snel doorgehakt en we verhuisden. Het was heel schoon ingericht, een beetje primitief  (bekijk de lavabo constructie eens op de foto’s) en de wc bevond zich op het benedenverdiep, terwijl wij op de bovenverdieping sliepen, maar het was fantastisch en het wekte een geweldig vakantiegevoel in me/ons op.

Na het ‘ons-eigen-maken-van-de-kamer’, alsook het ‘opeten-van-alle-lekkere-dingen-die-Heleen-haar-Russische-ouders-voor-haar/ons-klaarmaakten’, vertrokken we voor een wandeling om de buurt eens te verkennen. We kregen meteen het gezelschap van twee herdershonden die ons gedurende de hele wandeling hebben vergezeld en nu eens voor ons en dan weer eens achter ons liepen, dit natuurlijk zeer tot ongenoegen van Hanne. We wandelden tot aan een prachtige rots, die we in Irkutsk al vaak op postkaartjes hadden zien staan en de schoonheid van het landschap, van het Bajkalmeer en de lucht waren gewoon overweldigend. De wind in onze haren en tussen onze sjaals door en het schitterende decor maakten dat we ons supervrolijk en vooral heel erg uitgelaten voelden, goh we hebben er zo hard van genoten van die wandeling!

Na het natuurschoon wandelden we nog even in het dorpje, zeer pittoresk allemaal, koeien die over de weglopen, auto- en buswrakken, kinderen die op een bevroren ijsplas speelden… Onze geesten kwamen tot rust. Ahum. Na de wandeling installeerden we ons in de eetzaal, waar we genoten van een tasje thee, dat we eerst per ongeluk met meel aanvulden, wat melk moest voorstellen, maar waarvan wij dachten dat het suiker was. Volgt u nog? Terwijl we daar zaten te wachten tot het tijd was voor het avondeten begon er een man op de piano te spelen. Hij liet de piano openstaan wanneer hij gedaan had en vervolgens besloot Heleen ook een aireken weg te geven. Vervolgens kwam er wat meer volk binnen in de eetzaal en werd het avondeten opgediend. Het moet gezegd, het was zeer lekker. Het dessert was applecrumble, we dronken er een tasje thee bij, de kachel brandde, gezelligheid troef dus!

Later op de avond werd er weer piano gespeeld, ditmaal door een andere man, echt een fijn bompa-type. Hij vroeg wie van ons er piano speelde, waarop Heleen toegaf en nogmaals achter de piano ging zitten. Ze speelde echt schitterend (ondanks de blijkbaar moeilijk handelbare piano), ik weet niet wat het was, iets klassieks, voor meer info zult u zich moeten wenden tot ons Van den Bosch zelve… De oude man stond er bewonderend naar te kijken en zei tegen Nikita dat dat nog al eens iets was en dat het zo was dat het moest. Ja ja, hij was er van gepakt! Nadat Heleen stopte met spelen kwam de man naar onze tafel toe en zei ons dat we moesten blijven zitten en niet mochten weggaan en dat hij direct zou terugkomen. Dat deed hij ook, vergezeld van een accordeon en een gitaar. Hierna begon hij accordeon te spelen en de Russen aan de tafel achter ons, die heftig in de vodka en de citroenen waren gevlogen, begonnen mee te zingen. Het was zo … tja, Russisch! Haha en die man steeds maar in ’t Engels, aangezien het een internationaal gezelschap was; “Imagine… you are in Georgia” en “Imagine… you are in Tjadzjikistan”, waarna hij een lied uit dat land begon te spelen. Echt, het was zo gezellig en zo sfeervol, zeker toen de ene Rus, al lichtelijk boven zijn theewater, een Italiaanse vastgreep en er een danske mee placeerde, wat ’n avond!

Ja, een internationaal gezelschap, dat heeft u goed gelezen. Rond 21u kwamen er namelijk nog vier mensen binnen, twee vrouwen en twee mannen. Van één gast zeiden Heleen en ik al meteen van, “ja, dat is zo hard nen Hollander!”, maar later hoorden we dat ze allemaal Engels praatten en aangezien het een gezelschap was gingen we er maar vanuit dat we ons vergist hadden. Een tijd later, kwam die gast achter thee en passeerde hij dus aan onze tafel. Hij kwam naar ons toe en zei met een onvervalst Hollands accent: “Ha, ik dacht al dat jullie ook Nederlanders waren”, waarop wij enigszins verontwaardigd antwoordden dat we Belgen waren. Ha, hadden we het niet gezegd! Hij bleek David te heten en vroeg ons of we geen zin hadden om bij hen aan tafel te aan zitten. Nou en of! We gingen bij hen aan tafel zitten en daar maakten we kennis met Anna, een Zweedse die accentloos Brits Engels sprak, waardoor we haar eerst indeelden bij de Britten, waarop zij quasibeledigd reageerde dat ze niet dacht dat ze er als een Britse uitzag. Er zat ook nog een Spaans koppel van Barcelona aan de tafel, waarvan ik me de namen niet meer herinner. We zaten er een tijdje mee te praten, dronken thee bij sloten, het kacheltje brandde nog steeds, de kat kwam er bij liggen, de Russen raakten steeds meer in de wind en af en toe greep iemand de gitaar en begon wat te spelen. Een schitterende, geweldige avond!

Maar aan alle mooie liedjes komt een eind en het werd tijd om te gaan slapen. Voor zaterdag hadden we immers een toer gereserveerd naar de Noordkant van het eiland. In onze kamer was het niet heel warm, maar onder de dekens was het best wel aangenaam. Ik lag dan ook al snel in slaap.

Na een nachtje in dromenland werd ik na een paar keer ‘snoozen’ wakker en groot was mijn verbazing toen ik zag dat Hanne en Heleen in het zelfde bed lagen. Nu moet er gezegd worden dat het brede, grote bedden waren, waarin we er blijkbaar als kleine kindjes uitzagen, maar toch. Ik ging er van uit dat dit omwille van de koude was, maar dat bleek niet zo te zijn. Blijkbaar was er ’s nachts een knagend, kruipend, ritselend geluid te horen naast Heleen haar bed (ze sliep naast de muur) en dat was niet zo fijn (begrijpelijk) en dit riep zekere angsten op (ook begrijpelijk) en vandaar waren ze maar bij elkaar gekropen.

Na een heerlijk ontbijt (gebakken eitjes, pap en pannenkoekjes met confituur) waren we klaar voor onze tocht. David, de Hollander kwam ook mee en daarnaast waren er nog een Frans (v) – Duits (m) koppel, die 7 maanden met een camper door Australië waren getrokken en nu via Azië, Mongolië en Rusland weer op weg waren richting Europa en er was ook een Ier mee, waarvan later bleek dat het eigenlijk een Zuid-Afrikaan was met een Iers paspoort. Het was aangenaam gezelschap dat veel te vertellen had en zo gingen we op weg met ons busje en de fijne chauffeur, kok en gids, verenigd in de persoon van een hele fijne Rus van rond de 50 die ons van alle wetenswaardigheden van het eiland op de hoogte bracht. Dit allemaal in het Russisch waardoor wij drie (en Alan, de Ier/Zuid-Afrikaan ook een beetje, hij had 11 weken in Odessa gezeten op taalcursus voor hij vertrok met de Trans-siberische) fungeerden als tolk, best plezant eigenlijk.

De tour toonde ons de mooiste kant van het eiland, met prachtige rotsen, het meer, de bergen aan de overkant, de steppen op het eiland, de grote leegte, de bossen (met een wolf die op de terugweg voor de auto de weg oversprong en dan in het bos verdween, maar die ik helaas niet gezien heb) en veel meer natuurschoon. Aan de rand van het Bajkalmeer, waar het water tegen de rotsen/strand slaat waren er zelfs al dingen bevroren en waren er rare ijsstalagmietconstructies te zien, mooi ende fascinerend! We stopten ook bij enkele ‘palen met sjalen rond’, merktekens van de sjamanen op het eiland. Het eiland is zowel een heilige plaats voor de sjamanisten als voor de boeddhisten blijkbaar en er schijnt een hele positieve energie te zijn. Zelfs wij wisten er van!  Haha, zo’n fantastisch weekend als het was, het kan niet anders of er was positieve energie van de sjamanisten, boeddhisten of whatever mee gemengd!

Tegen de middag dropte de chauffeur ons ergens aan de voet van een heuvel en vertelde ons dat we tot op de klif konden wandelen en dan langs een lager gelegen pad weer terug afdalen. Hij ging met het busje wat verderop staan en ons middagmaal bereiden. We klommen de rotsen op, waar een ontwrichtende, snijdende wind blies, die je bijna in evenwicht hield als je je liet vallen, we genoten van het landschap, leefden ons uit, waaiden uit, hadden het over erg lugubere dingen die tegelijk heel erg schoon kunnen zijn en zo voort en zo verder. Yes, sir, we felt the energy!

Toen we ons busje terug vonden (en gelukkig maar) was er een kampvuur aangestoken, de theepot hing erboven, de tafel was gezet en de soep was warm. We genoten van de soep (zelfs ik, een klein beetje dan toch, ’t was niet heerlijk, maar het was warm en dat was goed genoeg), de broodjes met kaas en uiteindelijk van een tasje thee met koekjes.

Uiteindelijk was het tijd om onze tocht verder te zetten. We trokken naar een speciale plek, alweer aan de rand van het eiland aan het Bajkalmeer, waar je wensen kon doen met betrekking tot de liefde,  wat volgens onze gids zeker voor jonge mensen van belang was. We klommen, liepen, sprongen, maakten foto’s, wensten en stapten het busje weer in.

Onze laatste halte was een strandje bij een van de dorpjes op het eiland. Er was niet echt veel te zien, maar ik nam er wat steentjes mee (kleintjes, want in december mag er maar 20kg mee weer terug naar huis, helaas!) en we trokken er wat foto’s. Toen ontdekten we een redelijk grote vijver die helemaal dichtgevroren was. We smeten er stenen op met al onze kracht, maar het ijs wilde maar niet breken. Bijgevolg werd er lustig op los ‘geschaatst’ en acrobatisch gedaan en waw, het was geweldig. De frisse lucht, de wind en gewoon op een vijver lopen!

Hierna was het tijd om weer naar Nikita’s terug te keren. Op de terugweg kwamen we nog een wolf tegen en na een wel heel hobbelige, wiebelige rit kwamen we aan. We dronken nog een tasje thee met de Fransman, de Duitser en de Ier/Zuid-Afrikaan (het lijkt wel het begin van een mop!) en wat later stormde den Hollander terug binnen. Hij was al de hele dag (én de vorige avond) aan het praten over een duik nemen in het Bajkalmeer en blijkbaar was het moment aangebroken. Ik besloot mee te gaan om te kijken of hij en de Zweedse, die niet wou onderdoen, dit zouden overleven en uiteindelijk kwam het er op neer dat het Spaanse koppel van de vorige avond, ik, Heleen, de Fransman, de Duitse en de Ier/Zuid-Afrikaan meegingen en op de duik stonden te kijken. Het was echt grappig om te zien; iedereen dik aangekleed met mutsen op, wanten en bergschoenen aan wilde foto’s maken van de twee gekken die daar in bikini en in zwembroek, elk om beurt, het water in renden. Het zag er verschrikkelijk koud uit, maar we hadden een plekje gevonden uit de wind (waarvoor er helaas wel een zowat verticale rotswand moest worden afgedaald) en daar gingen ze! Het werkte inspirerend, want prompt besloot de Spanjaard dat hij ook eens in dat machtige meer kopje onder moest gegaan zijn en hij speelde zijn kleren uit en rende in zijn onderbroek het water in.

Na deze memorabele gebeurtenissen, die druk op gevoelige plaat werden vastgelegd, was de zon bijna onder en we gingen weer terug naar onze kamer. We zaten even te praten en al gauw kwam Nikita’s kloppen om onze haard aan te steken, wat we eerder hadden gevraagd. Hij maakte een vuurtje en zette zich nog even om wat te babbelen met ons. Hij vroeg of we Kanakna kenden. Ja, natuurlijk, het productiehuis van ‘Peking Express’. Het bleek dat hij heel goed bevriend was met de baas van Kanakna en hij wist dus wel wat over België. Blijkbaar is de Spaanse versie van Peking Express ook langs geweest op het eiland.

Nadat we nog wat rond ons vuurtje hadden gezeten en wat gepraat hadden was het alweer tijd om te gaan eten. Deze avond was er iets minder ambiance dan de avond ervoor, maar het was toch nog steeds heel gezellig. Toen we weer terug op onze kamer kwamen was de haard nog steeds aan het gloeiend en nadat ik er nog ene houtblok op drie had opgesmeten brandde hij weer volop. Zalig, die heerlijke warmte in de kamer terwijl het buiten vrij koud was (maar volgens Heleen viel het ’s nachts nog mee)!  Na nog wat gepraat te hebben en nadat we tot een besluit waren gekomen over het uur van opstaan (de bus terug naar Irkutsk – rechtreeks, including boot en al! – vertrok de volgende morgen om 9u en we moesten alles nog inpakken) gingen we slapen in ons knusse coconnetje.

De volgende morgen ging de wekker eenmaal af en daarna niet meer. Ik schoot wakker om kwart voor acht, een kwartier nadat we normaal gingen opstaan. Ik probeerde het met een voorzichtig “is er al iemand wakker?” maar er bleken drastischer middelen nodig. Dit werd de lichtknop. Na deze kwelling was iedereen wakker, begonnen we in te pakken en om half negen stonden we in compleet tenue, met rugzak en al (en ditmaal twee lege zakken bij Heleen, aangezien al het eten op was) klaar om te ontbijten en vervolgens de bus op te stappen.

Theoretisch gezien dan toch. In de praktijk lag dit toch iets anders. Nikita vroeg ons of we wisten dat die nacht het uur veranderd was. Het was dus nog maar half acht. Oeps. Het ontbijt begon pas om acht uur. Wij wilden alweer afdruipen naar onze kamer (ho, als dit geen teken van hogerhand was dat we nog langer op deze toffe plek mochten blijven, dan weet ik het ook niet meer!) maar Nikita zei dat we wel in de eetzaal konden gaan zitten en daar warmden we ons dan maar aan een tas thee.

Uiteindelijk werd het dan toch 9u en we installeerden ons op het busje. Dit keer was het net iets comfortabeler: we zaten niet op de achterbank, hadden wat meer plaats en konden onze rugzakken op de grond zetten. In volle vaart raceten we weer het eiland over, op de verschrikkelijke wegen en na een halfuur wachten aan de boot bereikten we het vasteland terug. We reden aan een stuk door verder, met het gekwetter en gekweel van de vier Russische trienen op de achterbank voortdurend in onze oren. We stopten op ongeveer dezelfde plek als we op de heenweg waren gestopt.

Daar aten we wat, testten de wc’s nog eens uit (tenminste Hanne en Heleen deden dit) en moesten we vooral vrij lang wachten tot er weer beweging kwam in de chauffeur en schot in de zaak… Er kwam een dame op ons af die vroeg waar de chauffeur was. We wezen hem aan en ze ging iets vragen aan hem. Vervolgens kwam ze weer bij ons staan, maakte een praatje en zei iets over een bomma en een bompa die verderop stonden en die mee moesten met ons en iets over het feit dat ze dacht dat er nog drie plaatsen over waren, maar dat het er nu maar twee meer waren en een wel zeer cryptische zin over ‘iemand bij de hand houden’. Voor de Russisch-sprekenden onder u, “djerzjat na roekoe”. Allemaal goed en wel, de deuren van de marsjroetka gaan weer open, bomma en bompa raken geïnstalleerd en toen kwam de aap uit de mouw: de vriendelijke mevrouw moest ook nog mee! En omdat te kunnen verwezenlijken moest ik op haar schoot gaan zitten. Bij deze leerden wij dus dat ‘iemand bij de hand houden’ in het Russisch ook nog wel eens wil zeggen ‘iemand op de schoot houden’. Ik ging dan maar op de dame haar schoot zitten, het is niet dat ik een keuze had en we vertrokken. Op de zetel tegenover mij zat een jongen en hij bood aan dat we die stoel anders wel konden delen, dan zat ik wat comfortabeler. Voor even toch. Ik zat op een bil, in plaats van op twee, dus ik zat half op de stoel en half ernaast. Bompa zijn knieën hielden me tegen langs de ene kant en langs de andere kant zat ik half op een zetel. De jongen begon wat met mij te praten, maar god, hij was echt onverstaanbaar. A) hij mompelde, B) hij sprak veel te stil. Hij kwam uit Oezbekistan en was op reis door Rusland. Vervolgens begon hij allerlei financiële vragen stellen als; ‘Hoeveel studiegeld krijgen jullie in België’ en ‘Wat is het gemiddelde pensioen in België’ en dergelijke meer, waar ik dus helaas geen antwoord kon op geven. Vervolgens begon ook de ‘schoot-dame’ te praten, bleek dat zij en bomma en bompa uit Ulan-Ude kwamen en weer onderweg waren naar daar.

Daarna begon bomma met mij te praten. Het begon met haar kleinkinderen en het eindigde bij Karl Marx en de Chinese economie. Bompa had heel ‘Das Kapital’ van Marx gelezen, en of ik wel wist hoelang Marx aan dat boek had gewerkt, aan één boek hé en of ik wel wist wat voor ne slimme mens dat dat was en hoeveel geweldige theorieën, die wel niet had geponeerd. En goh, China, niet moeilijk met twee miljard mensen, dat die de grootste en bestdraaiende economie hadden en ja, probeert dat maar is te voeden, al die twee miljard mensen! Ja, het was best boeiend. Maar toen begon bompa er zich nog eens mee te moeien, maar bompa die had geen tanden, dus van wat bompa mij allemaal te vertellen had, ik weet niet, ik begreep er geen jota van!

Uiteindelijk kwamen we aan in Irkutsk, het laatste deel van de rit was wel erg pijnlijk. Auwtch. Stretching was noodzakelijk. We namen afscheid van bomma, bompa, mevrouw en Oezbeekje. Vervolgens namen we de tram terug naar de dorm. Op de tram kwam er alweer een bommaatje naast me zitten. Zij begon over “en in de Sovjet-tijd…” en dit naar aanleiding van de controleur van de ticketjes en dat “tegenwoordig alles om geld draait en niks nog voor niks” en over Wereldoorlog II en de Duitsers en dat de Amerikanen waren gekomen en dat zij alles hadden afgepakt, alles en “wat hebben we in de plaats gekregen? Wat hebben we in de plaats gekregen? WAT is er daarvoor in de plaats gekomen???” – grote, lange pauze – “Dronkenschap en alcoholisme!”. Dat was het laatste wat ze me kon zeggen, want dan moesten we beiden van de tram, ze wenste me alle geluk en ze verdween in de massa.

Terug in de dorm binnenstappen was toch weer een beetje als thuiskomen. Er barstte ook bijna meteen een feestje los omdat Anna, de assistente van de decaan, ook in onze dorm was ingetrokken. Ze bracht vodka mee, augurken, hasp, salami en chips. Feesten op zijn Russisch dus. Het ging zo een hele avond door, het was fijn en gezellig en het was het perfecte einde van een fantastisch weekend! Een sloom einde voor zulk een vertelling als hier boven, maar goed, ik zal maar zeggen dat dit dan het gevoel verbeeldt dat wij hadden aan het einde van dit weekend. Moe, sloom, lui, maar absoluut voldaan!

 

P.S.: Wat ‘den Aleksander’, den buschauffeur betreft: later die middag zijn Hanne en ik ook nog op tocht gegaan richting treinstation om informatie in te winnen om naar Mongolië te gaan (alweer: uitleg volgt!), maar gezien de prijs, die ons redelijk, maar voor Russische normen toch hoog leek (3200 roebel enkel pp, zo zeiden ze ons, achteraf bleek het 2990 roebel te zijn), besloten we nog eens terug te gaan naar het busstation (ja, er is veel op en neer geloop geweest die namiddag) om te horen of er niks te regelen viel. We dachten meteen aan onze Aleksander en die man bleek wel geïnteresseerd om ons in een minibusje naar Ulan Baator te brengen, zeker nadat hij hoorde met hoeveel personen we vermoedelijk zouden zijn. Hij vroeg ons echter om de volgende dag terug te komen omdat hij dan de prijs zou kunnen zeggen. De volgende dag (woensdag) gingen Hanne en ik terug, maar Meneer was nergens te vinden. Vervolgens belde ik hem en na een erg verwarrende conversatie (hij was redelijk onverstaanbaar en onderhandelen via de telefoon is echt een rotklus!) kwam hij toch naar het busstation afgezakt. Maar helaas, in tegenstelling tot wat wij gedacht hadden was het niet goedkoper om in Mongolië te geraken met een busje en bleek de trein de goedkoopste oplossing. Tja, en dat is het wat het hoofdstuk ‘Aleksander den buschauffeur betreft’.


Reacties

  1. och Marie-Laure,

    met al uw enthousiasme krijg ik prompt goesting om weer te gaan.
    Zou die van stilistika het erg vinden dat we nog eens skippen?

    x pleut


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën